Dus zó voelt het om normaal te zijn,

zeg ik opgetogen tegen vriendin J. We lopen door het warenhuis Debenhams in Londen. Tot mijn stomme verbazing gaat bijna elk kledingmerk in deze stad standaard tot maat 48/50. Er is geen aparte ‘plus-size’ afdeling, of een verstopt hoekje met een smalend ‘big is beautiful’. Alle maten hangen hier gewoon bij elkaar.

Wat een verademing. Een willekeurige winkel inlopen, iets leuks zien in het rek, even met je vingers langs de labels gaan en verdomd: je maat hangt erbij. Mijn bankpas begint er spontaan van te kreunen.

Als we met onze armen vol kleding naar de paskamers lopen, realiseer ik me dat dit in Amsterdam niet mogelijk is. In het land waar zo’n beetje de grootste vrouwen van de wereld wonen, gaan reguliere kledingzaken hooguit tot maat 44, heel soms tot maat 46. Met een beetje mazzel vind je in een saaie mevrouwenwinkel maat 48.

Voor de rest ben je als vrouw met enige rondingen aangewezen op speciale ‘grote-maten-winkels’, waar ze je het liefst in een vormeloze hobbezak hullen of in iets brandgevaarlijks met paars-zwarte bloemen. De enige andere work around is stoïcijns shoppen bij zaken die oversized kleding in hun collectie hebben. Of online gaan.

Maar in een ‘gewone’ winkel iets te kiezen hebben? Met meer dan twee items in een paskamer staan en niet in een halve depressie zakken omdat het niet past, niet staat of gemaakt is van abominabele kwaliteit en door kleine kinderhandjes? Ik weet niet eens hoe dat voelt.

Vandaar.
Zo voelt het dus, gek genoeg, om normaal te zijn.

Euforisch bekijk ik ’s avonds mijn buit op mijn hotelbed. Ik tel drie topjes, een paar blouses, een geweldig jasje en een trui. Het past, het staat me goed, het is van eerlijke kwaliteit en niet eens achterlijk duur. Ik begin nog net niet te spinnen.

Je goed voelen, lekker in je vel zitten, blij zijn met hoe je eruit ziet: dat speelt zich voor het grootste gedeelte af tussen je oren. Soms voel ik mijn inner Beyoncé, soms niet. Dat geldt voor iedere vrouw, hoe ze er ook uitziet.

Maar kleren die je figuur flatteren, maken ook de vrouw. Het zorgt ervoor dat je jezelf kunt zijn. Omdat je niet akkoord hoeft te gaan met ‘ik doe het er maar mee’, wat meestal resulteert in een hoop gepluk aan de voorkant en wanhopig getrek aan de achterkant.

Het is geen rocket science waarom een groot gedeelte van vrouwen met een beetje meer billen, borsten of buik alleen nog online kleding koopt of regelmatig naar het buitenland uitwijkt. Er is hier gewoon geen stenen warenhuis of kledingzaak te vinden dat met enig respect álle vrouwen bedient en niet de helft verwijst naar het verdomhoekje. Ik hoop dat kleding-inkopend Nederland zich realiseert dat ze daarmee een gigantische (no pun intended) markt laat liggen.

Voor nu plan ik maar weer snel een tripje naar Londen.

En tot die tijd ga ik online:
Monsoon
Next
The Collection
Evans
Long Tall Sally
Studio Eight
Dorothy Perkins
Carmakoma
Lane Byrant
Eloquii

Ook Wehkamp, Asos en Zalando hebben leuke merken in hun collectie.
Inspiratie nodig? Check dan de blogs van The Publisized of Style has no Size.

itsnotaboutthesizeyouwearbutthewayyouwearyoursize

Een personal trainer achter de deur

Ik heb het hardlopers wel eens horen verzuchten: ‘Op een gegeven moment kom je in een soort flow, je lichaam gaat als vanzelf en dan…’, vervolgens wordt er gelukzalig bij geglimlacht. Je weet wel, alsof je naar een verliefd iemand zit te luisteren. Heel irritant.

Het zal wel, dacht ik.
I ain’t buying it.

Mijn sporthistorie is een smörgåsbord van lafhartige probeersels. In mijn jeugd telde ik sportief gezien nog wel mee als wedstrijdzwemmer en basketballer. Totdat de pubertijd haar intrede deed en ik meer interesse kreeg in een andere manier van eh… beweging.

In mijn volwassen leven sponsorde ik de sportschool, volgde er een lachwekkende poging om hard te lopen met mijn klutsknieën, deed ik aan intervalyoga en was ik ervan overtuigd dat shoppen ook een vorm van beweging was. Vanzelfsprekend is sporten nooit meer geworden. Ik kreeg er zelfs een grondige hekel aan.

En omdat er te veel in ging en te weinig werd verbrand… Nou ja, dat principe hoef ik verder niet uit te leggen, je snapt ‘m wel.

Achter élk dieet kan ik een vinkje zetten. Been there, done that, bought the t-shirt. Het resultaat is een bedroevend laag zelfbeeld, een steeds verder uitdijend lijf en stille wanhoop die in onmacht veranderde. Ik zeg het nog maar eens: afvallen is niet moeilijk, maar afgevallen blijven is een bitch.

Dan toch maar een maagverkleining? Ik sprak met mijn huisarts. Ik sprak met iemand die het ging doen. Ik googelde en las alles wat ik kon vinden over de gastric bypass, sleeves en maagbanden. Ik keek naar vlogs van blije BN’ers die je wekelijks zag slinken.

Het lijkt zo’n makkelijke oplossing, maar dat is het niet. Bovendien val je zo snel af dat je er na een paar maanden uitziet als een gesmolten nachtkaars.

En kom op, waarom zou ik het niet op eigen kracht kunnen? Ik ben niet dom, ik weet wat ik wel en niet moet eten, ik ambieer geen in maatje graat, ik hou van curves, ik moet alleen meer… sporten.

Shit.
Nee.

Want:
1. Geen tijd voor
2. Hou ik toch niet vol
3. Kost geld
4. Je hebt een hekel aan sporten weet je nog?
5. Netflix

Iets in mij dramde door. Wát als het lukt om sporten belangrijk te maken en eten minder belangrijk? Zou dat mijn gejojo stoppen? Oh ye behold: de gouden graal van blijvend gewichtsverlies en bovenal dit: een goede conditie?

Opnieuw opende ik mijn laptop. Een sportschool heeft geen zin, want zie 1, 2, 3 en 4. En er stond al een peperdure roeimachine in mijn slaapkamer, die dienst deed als kapstok. Zie punt 5.

Ik had iemand nodig die sporten weer leuk zou maken.

Al googelend kwam ik op de ideale oplossing: een personal trainer die voor langere tijd bij je thuis komt. Twee keer in de week iemand die aanbelt en – of je nou zin hebt of niet – met je gaat sporten. Een personal trainer achter de deur.

Dat kost wat. Natuurlijk.

De nieuwe keuken waarvoor ik had gespaard, moet even wachten en vakantie zit er dit jaar ook niet in. Maar ik sport nu wel twee keer in de week. Ik verlies langzaam aan wat centimeters en krijg er spieren voor terug. Mijn conditie gaat met sprongen vooruit. Ik ben sterk. Er is geen druk om af te vallen (hoera!). Ik krijg er steeds meer vertrouwen in. Mijn zelfbeeld is nog nooit zó positief geweest. Ik denk steeds minder aan eten. Ik voel me zelfverzekerd. Ik vind het leuk. Ik vind mezelf weer leuk.

En ik verzuchtte vanmorgen dat ik in een flow kwam, mijn lichaam vanzelf ging en…

Heel irritant.

https://www.instagram.com/p/BTbY0FeBQLR/

 

Schat, kom ‘es hier,

roept de eigenaresse van de kroeg op de hoek. Ze staat een peukje te roken en ik wil het liefst snel zwaaiend voorbij lopen. Het regent, ik heb vier rondjes moeten rijden voordat ik twee straten verderop een parkeerplek kon vinden dus ik ben niet in de stemming voor bijdehante Amsterdamse grapjes.

Moederlijk legt ze een hand op mijn schouder.
‘Schat, luister. Ik moét het je vragen. Je loopt in je eentje.’
Ze laat een stilte vallen waarin ze me vorsend aankijkt.
‘Is het uit?’
‘Euh… ja. Al een tijdje hoor’, zeg ik, hupsend van de ene been op de andere want ik heb een zware tas over mijn schouder hangen en ik moet ook nog naar de wc.

Ze inhaleert een vinnige teug rook.

‘Is het heus?’
‘Ja. Het is heus.’
‘Welke lummel laat jou nou gaan?’
‘Nou ja, jee…’ stamel ik schaapachtig.
‘Is ‘ie niet goed wijs of zo?’

‘Rob! Roooohóób!’, schreeuwt ze de kroeg in.
Haar man komt naar buiten gesloft. ‘Dag buuf’, zegt hij gemoedelijk.

‘Het is uit’, zegt zijn vrouw, met een bezorgde blik mijn kant op.
‘Is het heus?’

Ik knik bevestigend en realiseer me ineens dat ik blijkbaar onderwerp van gesprek ben geweest aan de plakkerige toog. Grinnikend zie ik voor me hoe de stamgasten met dubbele tong mijn welzijn analyseren. Daar had ik wel eens bij willen aanschuiven.

‘Ach meid, geen hand vol maar een land vol’, zegt de cafébaas met een vette knipoog.
Zijn vrouw geeft hem een harde por. ‘Rob, láát dat kind. Die moet nu niks hebben van kerels, toch schat? Rotzakken zijn het.’

Rob begint wijselijk een tafeltje te verschuiven.

Ze kijkt me aan. ‘Schat, luister. Je bent mooi. Je bent prachtig. Meer hoef je niet te weten. En de zomer komt eraan. Rób, wat doe je? Nee, man: die horen daar, dat weet je toch. Jezus, moet ik hier dan alles in mijn eentje doen?

Ik hou van mijn buurtje.
Nu nog meer parkeerplekken.

Net als in de film,

ik wil het. In ruim anderhalf uur van ogenschijnlijk gelukkig tot het moment van crisis, dan hop, naar verdriet en misère, om in het laatste half uur als een sterke feniks te verrijzen en door te stomen naar het happy end. Applaus, aftiteling. Ik wil het.

Kon het echte leven af en toe maar geconsolideerd worden tot zo’n hapklaar brokje. Dat zou het een stuk overzichtelijker maken. Nee, in plaats daarvan dansen we een stapje naar voren en twee stapjes terug en staan we de helft van de tijd glazig voor ons uit te kijken met een overweldigend gevoel van ‘is dit alles?’

Het zorgt ervoor dat je gesprekken krijgt als: ‘stel je voor hè, dat je met alles wat je nu weet, het lichaam van een twintigjarige had.’ Vraag dit aan een willekeurig iemand en ik garandeer je de volgende scene: er volgt een diepe zucht, de ogen gaan op licht melancholisch en in een paar seconden speelt zich een gelukzalige remake af in het hoofd van de ander. Dat lukt dan weer wel in no-time.

De afgelopen maanden danste ik de cha-cha-cha. Ik ging naar voren, ik ging weer terug, vloog uit de bocht en trok de dekens over mijn hoofd. Maar ik ontdekte dit: sequels suck, schrijf een nieuw script. De hemel komt niet naar beneden als je je angst tegemoet treedt. Huilen mag. Boos worden ook. Je overleeft het.

Okay, het is niet zo romantisch of heroïsch als in de film. Er is doorgelopen make-up, er zijn snottebellen, onafgemaakte zinnen, onhandige beslissingen, rare personages en onlogische plotwendingen.

Maar ik ben weer thuis. De zon schijnt op mijn gezicht, de muziek zwelt aan en u, beste kijker, u weet: deze vrouw is happy.

The end.

* sorry voor de spoiler *

Ik wil een beurt!

roep ik door de telefoon. Ik heb de garage aan de lijn, want er branden ineens twee gele lampjes op mijn dashboard. En ik hou niet van brandende lampjes op mijn dashboard. Want je weet dat het twee dingen kan betekenen: het gaat je geld kosten of tijd.

Ik heb bovendien het vermoeden dat de symbolen op die lampjes zijn bedacht door een sadistische cryptoloog met een drankprobleem die rechtstreeks uit een Marvel comic is gestapt. Je kunt er namelijk als gewone sterveling geen chocola van maken. Voor de lol heeft ‘ie er een paar bijgezet waar je wat mee kunt, zoals een benzinepompje en een genie-in-the-bottle, maar de rest van die symbolen zijn onbegrijpelijk of nog erger: voor meerdere interpretaties vatbaar.

Zo belde ik ooit de ANWB omdat een rood lampje waarop een mysterieus vierkantje met een gevouwen oortje te zien was maar bleef branden tijdens mijn rit. ‘Uw achterklep zit gewoon niet goed dicht, mevrouw’, zei de toegesnelde monteur in kwestie droogjes. Die had weer en mooi verhaal voor in de kantine.

‘Maar hoe moet dat dingetje in godsnaam een achterklep voorstellen?’, vroeg ik nog verbijsterd, waarna hij duivels lachend in zijn gele auto stapte. Echt hoor, Donald Trump zou om minder een paranoïde worden.

Wijs geworden besluit ik daarom eerst in het boekje te kijken dat verstopt zit in het dashboardkastje. Maar daar staat BEDIENUNGSANLEITUNG op en het bevat geen overzicht van wat de lampjes betekenen. Wat logisch is, want natuurlijk is dat boekje geschreven door dezelfde griezel die nu glimlachend een witte kat aait in een donker kasteel.

‘Wat voor lampjes waren het?’

‘Weet ík veel’, zucht ik geïrriteerd. ‘Iets met een uitroepteken. En op die andere stond een dingetje, een rondje? Nee, een halve cirkel of zo met een autootje erin. Kan dat? En toen ik opnieuw startte, waren ze uit.’

Het is even stil aan de andere kant van de lijn.
‘En de lampjes waren geel?’

‘Ja, dus ik wil even langskomen want ik rij heel veel kilometers en mijn auto moet het gewoon doen. Ik kan niet zonder, snap je? En ik heb liever geen brandende lampjes. In welke kleur dan ook.’ Mijn stem klinkt ondertussen vijf octaven hoger.

Hij gaat er nu echt even voor zitten. ‘Een geel lampje is meestal niet alarmerend hoor. Een rood lampje wel, dan moet je meteen stoppen.’

Ik bonk in gedachten met mijn hoofd tegen de muur.
‘Jaaaaha… dat geloof ik best. Maar ik wil tóch heel graag dat jullie er even naar kijken.’

‘En wat wil je dan precies dat we gaan doen?’

Moeder Maria. Heb ik nu werkelijk de enige monteur in de hele wereld aan de telefoon die bij een paniekerige vrouw niet denkt: hééj, kassa!?

‘Nou gewoon. Olie checken, remvloeistof, bandenspanning, even onder die kap kijken of alles wel in orde is. Zodat er geen lampjes meer gaan branden.’

‘Dus je wilt een kleine beurt?’
‘Ja, ik wil een kleine beurt’, verzucht ik opgelucht. ‘Zo snel mogelijk.’
‘Kom maandag maar even langs dan.’

Nu maar hopen dat er tot die tijd geen lampjes meer gaan branden.

via GIPHY

Ik ben bezig met een puzzel van 1000 stukjes.

Uiteindelijk moeten al die stukjes samen de cover van The New Yorker vormen, een illustratie van mijn held Jean-Jacques Sempé. Hij staat bekend om zijn priegelige tekeningen, die – net als Peter van Straaten dat zo mooi kon – in één beeld een heel leven omvatten.

Nu zijn priegelige tekeningen leuk om naar te kijken, maar nogal frustrerend om als puzzel te leggen. Had ik al gezegd dat ‘ie uit 1000 stukjes bestaat? Op elk stukje staat een lijntje, flubbeltje, rondje, vlekje of iets onbestemds dat pas na uitgebreide studie te herleiden valt als iets herkenbaars. Gevolgd door binnensmonds gekraai van mijn kant. Vermoedelijk ben ik de rest van mijn leven bezig met die puzzel.

Maar het heeft iets mindfulnesserigs. Ik zit niet voor de televisie, ik kijk nauwelijks op mijn telefoon. Ik denk niet aan werk, aan zorgen, mijn drukke agenda is iets voor later en zelfs de wereldproblematiek (de laatste tijd toch wel verantwoordelijk voor zeker één extra fronsrimpel) kan me op dat moment even gestolen worden.

Ik puzzel.

Ik leg kleuren bij elkaar, zoek naar gelijke patronen, begin details te herkennen en doe een Carltondansje (je-weet-wel) als ik eindelijk de hele omtrek van de cover bij elkaar heb gevonden. Gelukkig woon ik alleen.

Stuk voor stukje valt alles samen. En toch klopt er iets niet. Dan haal ik alles weer uit elkaar en begin ik overnieuw. Net zolang totdat het past. Nu staat mijn foto zeker niet naast ‘geduld’ in het woordenboek, dus dit is relatief nieuw terrein voor mij.

Ja, natuurlijk: u voelt hem al aankomen. Ik heb zelf ook het een ander te herschikken in mijn leven. Er vallen steeds meer stukjes op hun plek. Dus de kartonnen variant op mijn tafel is een tastbare metafoor. Als ‘ie helemaal klaar is, denk ik dat de grote schare aan persoonlijkheden in mijn hoofd weer allemaal ‘Jaaaaa!’ roepen op de vraag ‘everybody happy?’ Waarna we met z’n allen op een nieuwe, spannende horizon afstormen. U krijgt het beeld.

Soms heb je daarvoor een puzzel van 1000 stukjes nodig.
En een beetje geduld.

the new yorker