Thuis

Twaalf jaar geleden. Ik was zesendertig, had verkeerd gegokt in de liefde, geen eigen dak boven mijn hoofd en het onbestemde gevoel dat ik weer was gezakt voor het examen van volwassenheid. Iedereen om mij heen had het huisje-boompje-beestje/kindje-bestaan ondertussen dik voor elkaar en ik…? Zoals een vriendin toen, hopelijk goed bedoeld maar toch, zei: ‘jij hebt altijd gedoe met mannen.’ En bedankt hè.

Ze had wel een punt. Op de een of andere manier lukte het me om bijzondere exemplaren aan de haak te slaan. Laten we zeggen dat ik diepzinnigheid nogal eens verwarde met problematisch.

Maar één ding had ik ineens voor elkaar. Ik had mijn eigen huis gekocht. Het was niet groot, slechts 43 vierkante meter, een schier postzegeltje in de stad. De dag dat ik de sleutels kreeg, overleed mijn oma. Net voordat ze afgleed naar de eeuwigheid had ze tegen mijn moeder gezegd dat ze blij was dat ik nu een haven had. Dus gooide ik er mijn anker uit.

En tussen deze muren vond ik tevredenheid, rust, zelfvertrouwen en ambities waarvan ik niet wist dat ik ze had. Mijn huis was dan wel klein, mijn wereld werd steeds groter. De jaren ervoor voelden niet meer als faliekant falen, maar als wijze lessen. Ik ontdekte logica in de verzuchting: ‘waanzin is opnieuw hetzelfde blijven doen en toch verschillende uitkomsten verwachten.’

Mijn haven heeft me gekoesterd, onderwezen en liefgehad zoals alleen een echt thuis dat kan doen. Uiteindelijk leerde ik dat volwassenheid niet af te meten valt aan de oppervlakte van je huis, een nieuwe auto, het beestje/kindje of een grote tuin. Het is simpelweg het vermogen om van jezelf te houden.

Nu lonkt er een andere horizon.

Terwijl ik samen met de liefste man van de wereld (geen gedoe meer, joe!) dozen inpak, dingen regel, nieuwe meubels koop, parketvloer ontdek onder een smoezelige vloerbedekking, eigenlijk hele huiselijke dingen doe die gek genoeg toch avontuurlijk voelen, hoor ik de stem van mijn oma.

‘Ik maak me geen zorgen meer over jou. Je bent eindelijk thuis bij jezelf.’

Het anker kan los.

Kleiner

Ik beschouw mezelf als een optimistisch iemand. Niet het ‘Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt-type’ in goed Nederlands, maar eerder een wat naïeve golden retriever in een mensenpak. In die hoedanigheid heb ik weinig tot geen last van hypochondrie, doemdenken of al teveel zelfmedelijden. Maar gossammejezusnogeensaantoezeg, met al dat zwartgallige nieuws dat over ons wordt uitgestort zou je van minder in een depressie duiken.

Toen we uit Lissabon kwamen, bijna vier verre weken geleden, had ik een naar hoestje dat maar niet overging. Omdat ik begin februari zwaar verkouden was geweest, deed ik wat online zelfdokteren en kwam uit op acute bronchitis. Dat zit in mijn familie, dus ik maakte me geen zorgen, het zou vanzelf overgaan.

Er was toen al genoeg te melden over corona, maar ik had geen koorts, geen andere verschijnselen, dus keep calm and carry on. Voor de zekerheid bleef ik wel weg bij mijn moeder en werkte ik thuis. Na een ruime week was de hoest helemaal weg, zoals beloofd door dokter Google. Ik dacht er verder geen moment meer over na.

Maar na weken tobberig corona-nieuws begint er iets te veranderen. Er vormt zich een donkere wolk in mijn anders zo zonnige hoofd. Zeker nu de focus van het Nederlandse journaille zich gretig richt op mensen met overgewicht. In het buitenland is dit nauwelijks onderwerp van gesprek, maar in dit land waar iedereen – liefst niet gehinderd door enige kennis – beschikt over een MENING, is dit een fijn onderwerp om eens volledig uit te kauwen en vervolgens wat bedenkelijke filosofische zijweggetjes in te slaan.

Toen een arts bij een praatshow zei dat het hem opviel dat er veel mensen met overgewicht op zijn IC lagen, roken de meningbloedhonden met een maakbare gezondheidsobsessie hun kans en spuwden hun gal: die domme dikkerds hebben geen recht op een IC-bed, want het is immers hun eigen schuld dat ze zo ongezond zijn en meer vatbaar voor complicaties door het virus. We kunnen dat menselijke afval prima missen.

De golden retriever in mij piepte even bij al die zurigheid: ook al zit ik in een ruime verpakking, ik heb toch hetzelfde recht als iedereen op de juiste medische behandeling in geval van nood?

Maar bij elk artikel over dit onderwerp, word ik kleiner.

“Ik vind (in principe) dat iedereen over zijn eigen lichaam gaat. Roken, drinken, schransen, be my guest. Althans, tot een van mijn geliefden dringend een ic-bed nodig heeft en die allemaal zijn bezet door zwaarlijvige coronapatiënten. Dat zal zeker ten koste gaan van mijn liberale opvattingen en solidariteit”, schreef Volkskrant columnist Bert Wagendorp.

“Stel je [als arts] je eigen leven in de waagschaal voor iemand die in diens eigen leven geen interesse in een gezonde leefstijl heeft getoond en ergo het risico (en de kosten) daarvan op de maatschappij heeft afgewend?”, schreven een cardioloog en een fiscalist (?) in het NRC.

En voor het eerst in mijn hele leven vraag ik me af: ben ik door mijn plus aan kilo’s (ongeacht hoe ze daar zijn gekomen en de gekmakende worsteling om ze kwijt te raken), minder waard?

Misschien moeten we deze vraag maar beantwoorden met een eeuwenoud adagium: wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.

Ondertussen heb ik mezelf op een streng dieet gezet.

Een nieuwsdieet welteverstaan.

Achter de ramen

In de klassieker Rear Window van Hitchcock zit fotograaf Jeff al weken met zijn been in het gips. Hij verveelt zich en vult zijn tijd met het bespieden van de overburen. Achter elk raam speelt zich namelijk een klein verhaal af. Ik heb dan wel geen been in het gips maar sociale isolatie is eigenlijk hetzelfde en mijn uitzicht leent zich uitstekend voor wat gemijmer over de overkant.

Rear Window, maar dan op z’n Amsterdams, gaat vooral gepaard met veel koffie. Want mijn overburen hebben de zon. Zij zitten ’s morgens op hun stoeltjes, of nog erger, de hangmat, mij vreselijk jaloers te maken. Af en toe wordt er een slokje genomen en dan gaan de ogen genietend dicht. Mijn balkon op het noorden warmt pas laat in de middag op, zodat ik met een dik vest aan en een sjaal om brommend hete wolkjes over mijn beker zit te blazen.

Aan de linkerkant op de tweede verdieping woont sinds kort een man met een grote bos zwarte krullen en de interessante neiging om zich in zijn boxershort op het balkon uit te rekken. U hoort mij niet klagen. Hij leest veel. Overdag zit hij gebogen over zijn tafel kriebelige aantekeningen te maken in de zijlijn, kijkt hij in de verte naar een wereld die ik niet kan zien, en verdiept zich dan weer in de zinnen van een ander.

Schuin onder hem woont het kattenvrouwtje. In een beduimeld nachthemd en haar lange grijze haar in een rommelige staart, struint ze elke ochtend rond in haar tuin. Ze plukt glimlachend her en der een dor blaadje weg en hangt de was op. Met palen, bruggetjes en netten heeft ze een soort tunfun voor katten gemaakt zodat haar tuin een woest komen en gaan is van snorrenbaarden die elkaar al dan niet met woest gekrijs half vermoorden of de liefde verklaren. Meestal ligt de was ’s middags op de grond.

Daarnaast woont een hipstergezin. Hij heeft een stoere foodtruck: in de week voor de Rollende Keukens stapelen de kratten en manden met groenten zich op in de tuin en probeert hij samen met baardige vrienden verschillende soorten grills en barbecues uit terwijl ze ronkend speciaalbier drinken. Er staan nu geen kratten in de tuin. Zijn vrouw slaat haar armen om hem heen terwijl hij peinzend aan de eettafel zit, waar de kinderen hun huiswerk doen.

Recht voor mijn keukenraam op de tweede verdieping woont een jong meisje, misschien halverwege de twintig. Ze krijgt nooit visite. Soms staat ze in het midden van haar kamer en draait ze een sierlijk rondje, als een ballerina. Ik kijk naar haar terwijl ze kookt, de tafel dekt, haar bord zorgvuldig neerzet en kleine hapjes neemt. Ze kijkt niet op haar telefoon, ze heeft geen boek naast zich en gaat volledig op in haar maaltijd. Ik kan niet beslissen of de zichtbare stilte om haar heen eenzaamheid is of intense tevredenheid.

Mijn koffie is op. Ik kijk in mijn agenda, die leger is dan de weken hiervoor. Die rust had ik min of meer ingepland, maar valt nu tegelijk met een lange tijd sociale afzondering die ik niet had voorzien. Alles voelt anders maar is ook hetzelfde.

En achter de ramen gaat het leven gewoon door.

Onbekend terrein

Ik heb toch een beetje het idee alsof we een dikke middelvinger krijgen van Moeder Aarde. Die hoorde al dat gebakkelei aan over klimaatverandering, was het goed zat en zei ‘hold my beer’. Wat zijn we nietig. Wat zijn we kwetsbaar. Een minuscuul fliebertje virus legt in een paar weken tijd de hele wereld plat.

Maar de vissen zijn weer zichtbaar in de kanalen van Venetië.
In Wuhan horen ze de vogels.
In Hong Kong is de smog verdwenen.

Moeder Aarde leunt nog maar eens even achterover, terwijl de mensheid in gierende paniek toiletpapier hamstert. Eerlijk is eerlijk, ze heeft best lang geduld gehad met ons.

Ondertussen probeer ik deze nieuwe werkelijkheid driftig om te denken tot mogelijkheden. Ik kocht immers twee weken geleden een huis (oh, de timing) én moet mijn eigen huis nog verkopen. Dit is normaal al iets om van wakker te liggen, maar nu heb ik van woelen en draaien een Olympische sport gemaakt. En dan ben ik ook nog eens zzp’er. Het is een beetje vlek op vlek zeg maar.

Juffertje Paniek, een terugkerend personage in mijn hoofd, zit daarom vastgebonden met een prop in haar mond in de hoek. Die kan ik er nu niet bij hebben. Mijn mantra gedurende de dag is dus zoiets als:

Het gaat goed komen.
Er komt geen lockdown.
Gelukkig heb ik opdrachten.
Thuiswerken is zo erg nog niet.
Iedereen die ik ken is nog gezond.
Over een paar weken is het hopelijk beter.
Wát als er straks geen koffie meer te krijgen is?!! (sorry, het juffie had zich los gewurmd).

Maar als Rutte zijn toespraak houdt, heb ik het gevoel in een Stephen King film te zijn beland. Dit is toch allemaal niet echt? Ik bedoel, een paar weken geleden bestond het nieuws nog uit boze boeren op het Malieveld en nu gaan we met z’n allen proberen een gevaarlijk virus te mitigeren.

Dude.

Na wat piekeren ben ik het toch met het gekozen scenario eens. Een totale lockdown komt op mij over als een dieet. Het helpt even, maar uiteindelijk slaat hetzelfde probleem terug mét rente. En ik weet natuurlijk helemaal niks, want ik ben geen viroloog en ik punnik de feiten en nieuwsberichten ook maar aan elkaar tot iets wat ik kan begrijpen.

Het is voor iedereen onbekend terrein. We moeten samen uitvogelen hoe deze nieuwe werkelijkheid werkt. Niet door de winkels telkens leeg te kopen, zodat zorgpersoneel en ouderen geen droog brood meer in huis hebben. Ook niet door elkaar verbaal af te maken op social media en politici te bashen. Dat is zo 2019.

Werk vanuit huis als dat kan.
Help de oudjes en kwetsbaren.
Blaas videobellen weer eens nieuw leven in: FaceTime/WhatsApp je ouders, je vrienden. Installeer de app Houseparty.
Ontdek de leraar in jezelf (of niet. In dat geval: Netflix).
Stuur kaartjes!
Help kleine  ondernemers door bij ze te bestellen, door abonnementen door te laten lopen, of door hun facturen direct te betalen.

En blijf ademhalen.

Luister niet naar tante Gerda

Eerlijk is eerlijk, een week geleden moesten we nog een beetje grinniken. We zaten in Lissabon en zagen zo af en toe iemand met een mondkapje voorbijkomen. Mafketels. De zon scheen, er klonk muziek in de straten en onze grootste zorg bestond eruit of het restaurantje van deze avond het restaurantje van de vorige avond zou overtreffen. Op het vliegveld maandagmiddag keken we wederom geamuseerd naar mensen met een mondkapje. In het vliegtuig begon mijn lief te snotteren. Stomme airconditioning ook.

Dinsdagochtend ging ik weer aan het werk en hoorde ik dat mijn opdrachtgever het festival dat over twee weken stond gepland wilde afgelasten. Is ‘ie nou helemaal gek geworden?, dacht ik. Wat een paniek om een griepje.

Toen ging ik de nieuwsberichten over Italië en, dichterbij huis, Brabant wat grondiger lezen. Ik checkte de site van het RIVM, van de WHO en andere gerenommeerde datacheckers. Feiten, daar ging het mij om: hoe het écht zit, haal je beter niet van Facebook, Twitter of tante Gerda.

Woensdagavond gingen we naar het theater en kwamen we bekenden tegen. ‘Aaah, we gaan gewoon zoenen hoor, die gekkigheid ook’, zeiden ze. In mijn hoofd ging een paniekerig alarmbelletje af, maar ik wilde me niet laten kennen. In de wc waste ik mijn handen en gezicht.

Op donderdagochtend was ik het eens met mijn opdrachtgever om het festival te verzetten. Het risico om meer dan duizend mensen een hele dag bij elkaar te zetten, waarvan een groot deel wat ouder en kwetsbaar is, was onverantwoordelijk. We waren het verbod vanuit de overheid net voor.

Het RIVM is ondertussen duidelijk in haar advies: heb je verkoudheidsklachten, zoals hoesten, niezen, snotteren of koorts, blijf dan thuis. Dat doe je niet voor jezelf, dat doe je voor anderen.

Begin februari werd ik flink verkouden. Ik hield er een kuchje aan over dat maar niet over wilde gaan. Donderdagavond kwam er ineens een reuteltje bij. Alsof ik een fluitje had ingeslikt. Het is waarschijnlijk niks, een overblijfsel van de vorige kou. Maar toch. Voor de zekerheid bel ik mijn moeder van 73 en geef ik aan dat ik haar voorlopig even niet bezoek. ‘Prima. We gaan wel face-timen’ zegt ze kordaat.

Mijn lief klinkt ondertussen als een zeehond die voor het eerst de zee ziet. We besluiten elkaar dit weekend niet op te zoeken, hoe vervelend ook. Twee hoog achter in Amsterdam draal ik rondjes. Ik vermaak me wel, lang leve Netflix, maar toch. Het voelt wel erg apocalyptisch allemaal. Als ik zaterdagochtend naar buiten ga, merk ik echter niks van naderend onheil. De terrassen zitten vol, de restaurants zitten vol, het zonnetje schijnt en niemand kijkt bezorgd.

De kloof tussen de feiten en wat ik op straat zie, is wel erg groot. Zijn we nou met z’n allen heel eigenwijs, of ben ik ineens een bange poeperd geworden?

Ik lees over ‘Flatten the curve’, een simpel model dat aangeeft dat het van groot belang is om een piek in zieken te voorkomen. Anders raakt het zorgsysteem overbelast en zijn we nog verder van huis. Je voorkomt een piek door het aantal besmettingen uit te smeren over een langere periode. Voorzichtigheid neemt het nu toch over van mijn eerdere luchtigheid.

Feit is, dit virus verdwijnt niet meer. Het enige wat we kunnen doen, is een piek in besmettingen voorkomen zodat de helden in de zorg hun werk kunnen blijven doen. Als dat betekent dat ik twee weken geen verjaardagen, etentjes, of theater kan bezoeken: prima. Als dat betekent dat ik in die tijd ook mijn geliefden niet kan zien: met de groots mogelijke tegenzin, maar prima. Want als we er nú met z’n allen voor zorgen dat zo min mogelijk mensen besmet raken, kunnen we hopelijk straks weer genieten van de lente, de zomer en van elkaar.

Zoals ik ergens las: onze grootouders werden de oorlog in geroepen, wij moeten een tijdje op de bank blijven zitten.

Dat lijkt me een kleine opoffering. En gelukkig hebben we Netflix nog.

 

 

Wijze stad

In de stad val ik niet op.

Hoe ik me ook kleed, hoe mijn haar ook zit, hoe raar ik loop, hoe hard mijn lach is, hoe groot mijn lijf is, hoe anders ik ook mag zijn… er is hier altijd wel iemand vreemder, gekker, aparter of exotischer.

Een mollige man in een zilveren jumpsuit op een fiets vol roze bloemen stond vanmorgen voor me bij het stoplicht. Hij zong uit volle borst het Wilhelmus. Niemand keek op of om.

Dat geeft een veilig gevoel van anonimiteit en vrijheid. Ik hoef hier niet bang te zijn om raar aangekeken te worden, of nagestaard. Ik word in de stad niet uitgelachen, beschimpt of gepest, want ik word beschermd door een zee van paradijsvogels.

Ik kan mij hier de absolute fashionista voelen die ik in mijn hoofd zeker ben, maar waar de meningen misschien over verdeeld zijn. En als ik eens een dag geen zin heb in een sense of fashion, dan is het ook niet erg. De straten zijn mijn catwalk en ik denk het juichende publiek er wel bij.

De stad is groot genoeg voor iedereen.

Gisteren was ik even in mijn geboortedorp. Terwijl ik over de markt loop, voel ik de ogen prikken van een groepje meisjespubers, in al hun eenheidsworst samengeklit op een bankje. Giechelend stoten ze elkaar aan.

Een grijs echtpaar kijkt fronsend naar mijn outfit. Een oude bekende giert vanaf de overkant van de straat: zoooooohooooo, nou nou nou, jij bent ook nog steeds Hollands glorie hè?

In dit dorp mag je best een beetje uit de pas lopen, maar niet teveel. Je mag best een beetje gek zijn, maar hé…. als het effe kan: niet teveel.

Als je die onzichtbare grens van teveel toch overschrijdt, moet je leren om de opmerkingen achter je rug te negeren. Je moet jezelf beschermen tegen het venijn van de middelmaat.

Ik kan dat ondertussen. Het heeft me duizend jaar gekost, maar ik kan de blikken, het gemompel, zelfs de onuitgesproken gedachten elimineren. Het ligt niet aan mij, het ligt aan de beperking van de ander. Schouders ophalen, tong uitsteken en door. Met een rechte rug ben ik nog groter.

De stad ligt steeds verder achter me, maar ik neem haar wijze vrijheid met me mee.