‘Dag’

In het ziekenhuis lopen we rondjes in een lege gang, waar twee houten kuipstoeltjes aan elkaar vast geklonken zitten. Verpleegsters tsjip-tsjoppen voorbij op hun plastic gezondheidsklompjes.

Ik wil overal zijn. Behalve hier. En tegelijkertijd wil ik nergens anders zijn. Ik zie de mensen om mij heen, die haar liefhebben, in enkele uren jaren ouder worden.

We krijgen de familiekamer. Dat is slecht nieuws. Als je de familiekamer krijgt, weet je dat de laatste pagina’s in het boek worden omgeslagen. Je kunt wel proberen om zo langzaam mogelijk te lezen, maar voorbij die laatste bladzijde zijn geen woorden meer.

Zij zag dat eerder dan wij.

We drinken lauwe thee, bittere koffie en halen broodjes in de kantine. Herinneringen komen tevoorschijn. ‘Weet je nog?’ We ontrafelen haar rol in ons leven, om los te kunnen laten. Als er voetstappen in de gang klinken, stokken onze gesprekken. Ze lopen door en we ademen weer uit.

Dagen gaan voorbij.

Het enige wat we kunnen doen is liefde geven. Wat in het gewone leven soms zo moeilijk is, gaat nu vanzelf. Mijn hart breekt als ik hun handen verstrengeld zie. Loslaten is het moeilijkste wat er is.

Ik druk een kus op haar voorhoofd. ‘Dag’, zeg ik. Meer kan ik niet bedenken, al het andere is overbodig. We lopen de gang weer in die niets troostrijks heeft maar ontluisterend onpersoonlijk voor ons ligt.

‘Het is goed zo’. Hij zegt het aarzelend, alsof zijn hart het nog niet eens is met zijn hoofd. Ik hou hem vast. Zo blijven we een tijdje staan, stil.

Het begin van de middag breekt aan. De familiekamer is leeg. Om haar bed een cirkel van liefde. En ook al kende ik haar nog niet zo lang, ik voel het wanneer ze ons verlaat.

De wereld stond even stil.

Imagine

Ik zit aan mijn eigen tafeltje. Met mijn vinger ga ik over de diepe nerf, die precies in het midden van het donkerbruine blad loopt. Voor me staat een wit bord met een rand van gekleurde bloemetjes. Er ligt een witte boterham op, met roomboter en speculaas. Ik neem kleine slokjes van mijn chocomel.

Uit de radio schalt ‘Ik geef je een roosje, mijn roosje’ van Conny van den Bos. Buiten zie ik onze auto staan: een blauwe Ford Taunus, mijn vaders trots en genot. Aan de overkant geeft buurvrouw Bep haar geraniums water.

Mijn moeder geeft me een aai over mijn bol. Ik wiebel met mijn voeten op de maat mee van ‘Living next door to Alice’, terwijl ik mijn boterham opeet. De kruimeltjes vallen op de oranje vloerbedekking.

Ondertussen druppelt de band van mijn vader binnen, om te repeteren. Dat doen ze altijd in onze huiskamer. Mijn vader heeft een shagje in zijn mond en een geruite broek aan met wijde pijpen. Hij zet zijn drumstel op. Ik hoop dat ik straks op zijn schoot mee mag drummen en drink snel mijn glas leeg.

De buurvrouw waant zich ongezien en gluurt door haar vitrage bij ons naar binnen. Als ik zwaai doet ze snel een stapje naar achteren. Ik hoor mijn moeder lachen.

Ik wist toen nog niet dat de herinnering aan deze middag voor altijd in mijn geheugen gegrift zou staan. Omdat het zo onbezorgd was. Omdat mensen naar Imagine van John Lennon luisterden en het niet onmogelijk vonden.

Ik ben een kind van de jaren ’70. Ik word melancholiek van oranje-met-paarse gordijnen, lichtbruine corduroy, pluizige bakkebaarden, typemachines, blokjes kaas met een uitje en 8mm filmpjes.

En ik zou de wereld van nu soms heel graag willen terugdraaien naar toen.

echtpaar

Ochtend ongeduld

Ze staan er weer. Zij voorop en hij vlak achter haar. Ze heeft beide handen stevig om haar handtas gesloten, die ze voor haar buik houdt. Mondhoeken naar beneden, blik op iets waaraan ze zich ergert. Of misschien ergert ze zich aan alles.

Terwijl hij naar zijn voeten kijkt, valt er een grijze lok voor zijn ogen. Langzaam veegt hij zijn haar weer netjes opzij. Hij zucht en kijkt naar de rechte rug van zijn vrouw.

Nog voordat de tram is gestopt, begint zij driftig op het knopje van de deur te drukken. Het lijkt me iemand die niet houdt van wachten. Ook niet op de dingen die vanzelf gaan. Ze beent de tram in en houdt haar ov-chip voor de kaartlezer.

Het blijft stil.

Ze veegt haar ov-chip nog een keer voor de kaartlezer, nu met meer venijn. Maar de goedkeurende bliep blijft uit. Haar man kucht. ‘Doet ‘ie het niet?’, vraagt hij. Ze kijkt geërgerd om, haar ogen tot spleetjes geknepen.

Nu leunt de conducteur gemoedelijk voorover in zijn kunststofglazen hokje. ‘Doet ‘ie het niet?’, vraagt hij. Ze loopt rood aan. Zelfs de mensen achter haar man houden hun adem in. Haar hand vliegt nu als een bezetene langs de kaartlezer. ‘Wat denk je zelf?!’ Van elk woord druipt ingehouden woede.

Haar man rommelt in zijn zakken en vist zijn eigen kaartje op. Snel haalt hij hem langs de lezer.

Bliep!

Dit is het startsein voor de rij om ook in te stappen. Bij elke voorbij zwierende ov-chip laat de kaartlezer een tevreden bliep horen en priemen twee woedende ogen in de rug van de bezitter. De deuren sluiten.

‘Probeer het nog eens’, zegt haar man. ‘Als ‘ie het niet doet, dan kopen we wel een kaartje.’ Ik denk dat de vrouw elk moment kan ontploffen, maar ze houdt haar kaartje  voor de lezer.

Bliep.

‘Je moet ook niet zo ongeduldig zijn, Annie.’

echtpaar

Oppassen

Terwijl de meeste vrouwen wel een oppashistorie hebben, is mijn curriculum op dat gebied oorverdovend stil. Ik ben enig kind, dus oppassen op een broertje of zusje was niet nodig. Nichtjes en neefjes woonden niet in de buurt. Buurtkinderen waren van mijn eigen leeftijd.

Bovendien maakte ik mij sowieso uit de voeten zodra er kleine kinderen in zicht waren. Ze konden dan wel snoezig lijken, maar er kwam altijd een moment waarop zo’n schattige peuter ineens veranderde in een miniatuurversie van Satan.

Gremlins zijn het.

Naarmate de jaren verstreken, voelde ik nimmer de drang om vertederd in een kinderwagen te kijken.  Terwijl collega’s kirrend opsprongen als er weer eens een baby werd geshowd, veinsde ik een spoedklus. ‘Jaaa, lief hoor’, mompelde ik in het voorbijgaan, de verse moeder een klapje op de schouder gevend.

Kijk, ik vind de kinderen van mijn vrienden allemaal om op te vreten. Geen zorgen, dat bedoel ik figuurlijk. En ik kan heus genieten van mollige kleuterbeentjes en sniffende snotneuzen. Maar ondanks de moederlijke kwaliteiten die mij door vreemden altijd zijn toegedicht, zei een vriendin al snel tegen mij: ‘Maak je niet ongerust, ik zal je nooit uitnodigen voor een kinderpartijtje.’ Godzijdank.

Nu heeft mijn vriend twee nichtjes. Ze zijn leuk, lief, bijdehand en dol op hun grote oom. Die liefde is, vanzelfsprekend, wederzijds.

En of wij een weekendje wilden oppassen.

Ehm.

‘Je hebt nog nóóit opgepast?’ Hij vraagt het met opgetrokken wenkbrauwen. Ik voel me bijna triomfantelijk als ik zeg: ‘Inderdaad. Nog nooit.’

Waarna ik moedig besluit dat ik nu toch echt volwassen genoeg ben om op twee meisjes van tien en zeven jaar te passen.

Gewoon geen water over ze heen gooien.

Oppassen

* Voor J&J: het was supergezellig en ik zou het zo weer doen ;-)

 

Door andere ogen

Ooit was ik ervan overtuigd dat ik een heks was. Niet de Eucalypta variant, maar de Susan Smit versie. Ik brandde kaarsjes dat het een lieve lust was, zette met Midzomer zonnebloemen in mijn huiskamer en prevelde zelfbedachte – en slecht rijmende – spreuken.

Toen ik bomen begon te knuffelen, zette ik de heks in mij op een bezemsteel en joeg haar naar verre oorden. Ik was zoekende. Laten we het daar maar op houden.

Toch heb ik in die tijd interessante dingen geleerd en gelezen. De filosofie van deze natuurreligie is boeiend en de geschiedenis ronduit schokkend. In de middeleeuwen zijn miljoenen onschuldige vrouwen op de brandstapel terechtgekomen, puur uit angst en bijgeloof. Ik heb gegruweld toen ik delen uit het boek Malleus Maleficarum las.

Daarin wordt de vrouw beschreven als slecht, zwak en inferieur. Naast ongelovig, eerzuchtig, wraakzuchtig en hebzuchtig. Dus hop, in de fik ermee. Dat het geschreven was door twee gefrustreerde monniken mag duidelijk zijn.

De moderne heks haalt haar schouders op bij zoveel onzin. Zij leeft volgens de wet van drie:

1. Doe wat je wilt, mits je niets of niemand schaadt.
2. Dat wat je doet, komt drie keer bij je terug.
3. Wees voorzichtig met wat je vraagt. Het zou wel eens kunnen uitkomen.

En ondanks dat ik een beetje doorschoot in het omarmen van de aarde, vind ik deze regels eigenlijk heel erg ‘down to earth’.

Waarom ik hieraan moest denken, kwam door een leuk gesprek met een meisje van een jaar of vijfentwintig. Ineens zag ik mijzelf door haar ogen. Ik weet niet hoe dat met jullie zit, maar in mijn hoofd ben ik nooit ouder geworden dan 28 jaar. Terwijl er ondertussen toch echt *kuch* ruim tien jaar verstreken zijn.

Maar nu zag ik mijzelf door de ogen van dit meisje. Zomaar. Ineens.

Ik zag een vrouw die vol enthousiasme vertelde over haar werk en die haar kennis zó vanzelfsprekend vond, dat de blik van respect haar bijna ontging. En zonder arrogant te willen zijn, realiseerde ik mij dat ik in een nieuwe fase van mijn werkende leven was aangekomen.

Ik kan andere mensen iets leren.

Het is misschien oneindig duf om dit met stilte boven en onder deze zin aan te kondigen, maar voor mij was het een openbaring. Heksen geloven in de wijze vrouw. De ‘crone’. Zij vertegenwoordigt kennis die je alleen maar krijgt door de lessen van het leven aan te gaan. Daar ben ik nog lang niet. Maar ik begreep vanmorgen wel dat ik geen ‘meisje’ meer ben.

Wat ben ik daar blij om.

Happy go lucky

Geluk is zo’n groots begrip, zo’n allesomvattend woord, dat als je erover nadenkt je al snel verzandt in grootse gedachten. Ik kan pas gelukkig zijn als ik rijk ben. Ik kan pas gelukkig zijn als ik slank ben. Ik kan pas gelukkig zijn als ik succesvol ben. Ik kan pas gelukkig zijn als ik de prins van zijn witte paard heb gesleurd. Zoiets.

Terwijl geluk juist zit in de kleine dingen. Dat weten we allemaal. Maar die kleine dingen waarderen we altijd te laat, of nog erger: niet. ‘Oh ja’, zeggen we dan: ‘Toen was ik echt gelukkig.’ Tientallen spreekwoorden wijzen ons op die lacune in ons leervermogen.

Ik ga hier geen gospel zingen dat je toch vooral oog moet hebben voor de zon die door de wolken schijnt, een merel die fluit, lekkere koffie of je favoriete nummer op de radio. Hoewel…

Speel eens even met me mee. Wanneer was je voor het laatst gelukkig?

Ah. Zie je?

Misschien was het iets kleins.

Het geinige van geluk is: je kunt het oproepen. Zomaar. Gratis! Je hoeft niet eens te wachten op al die grote dingen, zoals de loterij winnen, het figuur van Cameron Diaz (v)/David Beckham (m)/Lady Gaga (m/v), een promotie, een aanzoek, of voor de hebberds onder ons: wereldvrede.

Het gaat gewoon om dat ene moment waarop voor jou alles klopt, de wereld even stilstaat en de maan, zon, sterren en hemel om jou draaien. En dat je het dan ook beseft.

Dát is geluk.

Van Reineke kreeg ik een prachtige aanvulling op mijn verhaal. Bekijk deze video. Doen: http://www.ted.com/talks/lang/eng/brene_brown_on_vulnerability.html

You're the happy in my ness

 

Quick quick slow

Stel je een wereld voor waarin de markt niet bestaat. Ik bedoel de markt op donderdag of zaterdag, waar je groenten koopt, een bos bloemen of een stukje boerenkaas. Welnu, als je je ooit afvraagt waarom Amerikanen als een dolle foto’s maken van de bloemetjesmarkt in Amsterdam, ik weet het antwoord. Ze kennen het concept ‘markt’ niet.

In San Francisco organiseren ze daarom speciale excursies, onder de bezielende leiding van een diëtiste, naar zogenaamde ‘farmer markets’. Wat hier heel normaal is, vinden ze overzee heel bijzonder. ‘Wow, look at that honey, fresh vegetables!’ Dat is eigenlijk even triest als grappig.

Toch is het niet zo raar te denken dat het hier ook nog eens zo ver komt. We eten steeds meer uit potjes, pakjes en blikken. En dat moet iedereen natuurlijk voor zich weten. Ik heb jarenlang meer uit gemak gegeten dan met smaak. Als je hard werkt en pas rond zeven uur van je werk vertrekt, is de route naar de Chinees ingesleten. ‘Kip met satésaus ja? Witte rijst? En weer kroepoek bij?’

Het is dus even omschakelen naar een eetstijl die dichterbij de natuur staat dan de gemiddelde portie babi-pangang. Ik doe langer over mijn boodschappen – niet omdat ik zelf een koe omleg, maar omdat ik echt even moet zoeken naar vers voer.

De vraag ‘wat zal ik eten vandaag?’ is niet meer zo eenvoudig te beantwoorden als je niet naar de stoom-, magnetron-, en er-hoeft-alleen-nog-water-bij-maaltijden kijkt. In bijna alles wat voorverpakt, voorgekookt of voorbereid is, zitten kunstmatige hulpstoffen. Dat is ook logisch, want het moet allemaal goed bewaard blijven.

Maar ik ga dapper van fastfood naar slowfood. En nee, dat is geen probleem, dat is een – zeg het met mij – uitdaging.

Ik dwaal daarom rond bij de groenten in de supermarkt en mijn oog valt op de groene asperges. Lekker. Geen idee wat ik ermee ga doen, maar lekker. Ik pak ook nog een zak biologische aardappels en bosuitjes. En een blikje maïs. Om die nou ook nog zelf te koken, gaat me te ver. Je moet niet overdrijven.

Thuis leg ik alles neer op het aanrecht en kijk tevreden naar mijn boodschappen. Wat schaft de pot?

Zelfgemaakte patat: twee aardappels met schil en al in reepjes snijden, even koken en dan op de ovenbakplaat leggen. Scheutje olijfolie eroverheen, wat zout en kruiden. Klaar.

Maïskoekjes: prak de maïs een beetje, meng het met een eitje en een scheutje melk. Peper en zout erbij en de gesneden bosuitjes. Met een lepel in de koekenpan scheppen en met de tong uit de mond proberen om er een mooi ronde vorm van te maken. Als het jou lukt, zie ik graag een foto!

Groene asperges. Die zijn makkelijk. Even in de pan met kokend water en hoppa, op je bord.

En zo eet ik een maaltijd die mijn keuken eruit laat zien als een slagveld, maar écht smaakt. En oh ja, zonder vlees. Elke dag vlees happen, hoeft voor mij niet zo nodig. Maar dat is weer een ander verhaal.

Bon appetit!Boontjes en prut… hmm, dan toch maar even in de keuken staan.

Mama knows best

Als we de metro nemen vanaf Gare du Nord naar metrostation Alexandre Dumas zijn onze verwachtingen hoog gespannen. Langs rommelige winkeltjes en gezellige eethuisjes lopen we naar het hotel. ‘Deze wijk is helemaal in opkomst’, oreer ik wijs tegen Mike. Bij het uitblijven van zijn reactie, draai ik me om en zie ik dat hij tien meter terug met zijn neus tegen de ruit van een traiteur aangeplakt zit.

Via vriendin F. kreeg ik de tip om in Parijs het hotel Mama Shelter eens te proberen. Collega M. sluit aan bij haar enthousiaste aanbeveling. ‘Superhotel. Ontworpen door Philippe Starck. Ik ben er al een stuk of tien keer geweest!’ Kijk, dat zijn nog eens recensies.

Iets verderop, naast een mysterieuze verzonken ongebruikte spoorlijn, zien we Mama Shelter liggen. Eenmaal binnen kijken we verbaasd rond. Het plafond is geïllustreerd met teksten, tekeningen en kronkelende lijnen. In vitrinekasten staan maskers, merchandise en er bovenop loeren opgezette adelaars. Dit is bepaald geen doorsnee Parijse toeristenfuik. De receptionisten zijn alleraardigst en binnen enkele minuten zoeven we met de lift naar onze etage.

De inrichting van het hotel is strak design, maar de kleurrijke en speelse teksten die overal staan, maken het energiek en warm. En als ik zeg overal, dan bedoel ik ook óveral: op het plafond, de vloerbedekking, de spiegels en de muren. Onze kamer is slim ingedeeld met leuke details. En er staat een glimmende iMac voor video on demand, internet en andere zaken, waar Mike met een gelukzalige grijns op af duikt. Daar heb ik geen kind meer aan.

Ik neem een kijkje in de badkamer. Die is ruim, voorzien van regendouche en de föhn matcht met mijn knalroze nagellak. Er staan flesjes Kiehl’s en de tulp voor de spiegel blijkt echt te zijn.

We besluiten in het restaurant van het hotel te eten. Het is er druk, gezellig, er draait een dj en de sfeer is ongedwongen en relaxed. Laissez-faire! Oh, en de menukaart staat ook nog eens vol met heerlijk eten. Het is hier leuk.

Na het diner lopen we het hotel uit om de omgeving te verkennen. Een stevige uitsmijter staat voor de deur. Niet de eetbare versie, maar een streng kijkende kleerkast, die de deur voor ons openhoudt. ‘Hij bijt niet’, grinnikt Mike terwijl hij mij behoedzaam naar buiten loodst .

Mama Shelter ligt in de wijk Gambetta. De plek van ‘les bobos’, de voornamelijk jonge bewoners die zichzelf zien als een geëvolueerde mix tussen bourgeois en bohemien. Deze wijk ligt in het noordoosten van Parijs. Een Quartier in opkomst, waar je in bijna elk café naar live jazzy muziek kunt luisteren. De stoelen zijn misschien wat doorgezakt en het bier is plat, maar het is er oergezellig.

Knus in een hoekje van een klein café vatten we met elkaar samen wat Mama Shelter zo bijzonder maakt. Het is niet alleen het restaurant, met de felgekleurde zwembanden als decoratie. Of de pizza’s, gemaakt in de pizzeria van het hotel, die je mee naar je kamer kunt nemen. Het is vooral de aandacht die is besteed aan de details. Zoals de televisie, gemonteerd in het plafond van de wc.

We besluiten dat Mama Shelter haar reputatie eer aan doet. Als we weer bij het hotel aankomen, doet de uitsmijter de deur voor ons open. Dit keer glimlacht hij breed.

Come to mama.

Tip un: Mama Shelter heeft een schappelijke prijs als je online boekt. Wij zaten er al voor € 79,- per nacht. Ontbijt kost € 15,- extra, en is een aanrader als je je ochtenden lekker rustig wilt beginnen met een krantje en lekkere broodjes.

Tip deux: Het hotel ligt niet direct naast de metro, zoals de meeste hotels in Parijs. Als je uitstapt bij Alexandre Dumas, ga je rechtsaf Rue de Bagnolet in. Mama Shelter is dan nog ongeveer 10 minuten lopen. Ga je met de auto, dan is de ligging perfect.

Troisième Tip: Mocht je net als ons geen idee hebben waarom iedere kamer is voorzien van twee plastic superheldmaskers aan weerszijden van het bed. Kijk dan voor de grap eens op de in je kamer aanwezige iMac, voorzien van webcam, en er gaat een wereld voor je open. Croyez-moi.


Mama Shelter
Rue de Bagnolet 109, Parijs
www.mamashelter.com

Onze cijfers:
Kamer: 8,5
Ligging: 8
Wauw-factor: 10
Eten: 8,9
Prijs: 8,5

De receptie van hotel Mama Shelter, Parijs.De entree…

Krijttekst in hotel Mama Shelter, ParijsTeksten, overal…

Föhn in hotel Mama ShelterDe föhn matcht met mijn nagellak!

Onze kamer, hotel Mama Shelter, ParijsPlace to be…

De pizzeria van hotel Mama Shelter, ParijsDe pizzeria. Pizza’s mogen mee naar de kamer!

Keuken van hotel Mama Shelter, ParijsBedrijvigheid in de open keuken…

Het restaurant van Mama Shelter, Parijs (klik voor grote versie)Het restaurant: klik voor een grote versie!

Zwembanden als decoratie, Mama Shelter ParijsZwembanden als decoratie. Je moet er maar op komen.

Photobooth, hotel Mama Shelter, ParijsJa, dat zie je goed…

 

Openen op eigen risico

Einstein mopperde: ‘Als een rommelig bureau staat voor een rommelige geest, waar staat een leeg bureau dan voor?’ Mijn kasten zijn zó overladen dat als ik een deurtje opentrek, de helft eruit kukelt. Wat zegt dat over mijn geest?

Tijd om op te ruimen dus. Eerst het keukenkastje.

Potjes kruiden, zakjes kruiden, bouillonblokjes van divers pluimage, dozen met rijst, zakken met rijst, pasta, groentesaus. Even ademhalen. Plakkende flessen stroop, lege pakjes thee, losse dropjes en dingen waarvan ik de herkomst niet kan achterhalen. Wat over datum is gooi ik weg. Vuilniszak 1 zit tot aan de nok toe vol.

Niet om het een of ander, Einstein, maar die keurige keukenkast geeft me bijzonder veel voldoening. Geïnspireerd begin ik aan de kast in de badkamer.

Antieke potjes crème, lege flessen shampoo, tubes tandpasta, twee vermist gewaande föhns met en zonder blaasmond, zich kennelijk vermenigvuldigende wattenstaafjes, parfumflessen, haarbandjes, elastiekjes, drie lege deodorantbussen, gezichtsmaskers en een verfrommeld doosje Always. What’s in a name. Het ligt er inderdaad al een tijdje.

Zo.

In mij woont een verzamelmonster. Zo’n sluimerende, die lispelt: ‘zolang het kastje dicht kan, is er geen probleem.’ Hoppa, uit het oog, uit het zicht. Wat zegt het over mij dat mijn huis netjes is, maar op al mijn kasten eigenlijk een waarschuwing ‘Openen op eigen risico’ moet staan? Voer voor een grondige psychologische zelfanalyse.

Zou ik diep verborgen geheimen hebben?
Meervoudige persoonlijkheden?
Onderdrukte herinneringen die zich uiten in latente verzamelwoede?

‘Overdag is zij een braaf meiske, maar ’s avonds metamorfoost zij in een waar beest!’

Ik kijk naar het opgeruimde wastafelkastje. Als er al een monster in me zit, houdt ‘ie zich nu opvallend stil. Weggekropen naar een rommelig hoekje, rustig knagend op een van mijn dwangneuroses.

De twee vuilniszakken sleep ik een voor een naar de stoep. Op weg terug herinner ik me een andere uitspraak van de wijze grijze man. ‘Zoek eenvoud in de wanorde.’

Dat is het.

Ik ben gewoon een sloddervos.

Gezocht: vrouwelijk rolmodel part II

Een tijdje geleden gooide ik een #durftevragen op twitter. Gezocht: vrouwelijke rolmodellen. En wel leuke, sexy en intelligente vrouwen van 40-50 jaar. Een paar reacties druppelden binnen. Het leek er even op dat we niet verder kwamen dan een lijstje met tien woest aantrekkelijke, van binnen- en buiten, fourty-something-or-a-bit-older-ladies.

Maar… geef het even de tijd en daar zijn ze. Natuurlijk, zou ik bijna zeggen. Ze zijn er. En ze verdienen allemaal een plaatsje in dit erelijstje.

Annemarie van Gaal
Mia Michaels
Danielle Hermans
Chimene van Oosterhout
Michelle Pfeiffer
Emma Thompson
Karen Brady
Kristin Scott Thomas
Julliette Binoche
Jamie Lee Curtis
Helena Bonham Carter
Susan Visser
Julianne Moore
Linda van Dyck
Sue Barker
Sophia Loren
Sandra Bullock
Cate Blanchett
Diana Venora

Oh ja. Mijn twee vriendinnen I. en F. mogen hier niet ontbreken. Ze zijn dan wel geen celebs, maar ze spelen een hoofdrol in mijn leven. En ik vind ze prachtig!


Meer suggesties? Zet jouw heldinnen dan bij het commentaar. Ik breid deze inspirerende lijst graag uit.