Struikelen

Een relatie verbreken is geen leuke bezigheid. Het is verdrietig, het doet pijn en het liefst draai je aan de rewindknop zodat je kunt herstellen wat er mis is gegaan. Uit elkaar gaan terwijl je nog van elkaar houdt én een geval bent van ‘we kunnen niet zonder, maar ook niet met elkaar’, is regelrecht voer voor Grieks drama.

Het is gewoon makkelijker als je ex een rotzak is. Dan wil je geen rewindknop, maar zo snel mogelijk vooruit. Weg van die vent. Maar die van mij is een lieve grote goedzak. Die mij beter kent dan ik mezelf. Die mijn woorden vaak weet te vinden, voordat ik dat kan. Die geduldig met mijn gekkigheid omgaat, mij leuk vindt en die me ontzettend aan het lachen maakt.

Niet echt break-up materiaal.

Waarom gaat het dan toch mis? Dat is een vraag die ik mijzelf niet meer stel. Er zijn te veel en te weinig antwoorden.

In ieder geval levert geen van die antwoorden het resultaat op dat we elkaar nooit meer willen zien. Dus blijven we vrienden. Beste vrienden. Maar hoe bewandel je dát pad als de een wat sneller gaat dan de ander? Als er zijweggetjes zijn die je stiekem terugvoeren naar een gepasseerd station, of als je ineens niet meer alleen met zijn tweeën loopt?

Stop looking for happiness in the same place you lost it, is daarom het credo. Dus gaan we beiden vooruit. Struikelend, dat wel. Maar onwards. Wetende dat er een punt komt dat ieder zijn eigen weg vervolgt. Want uiteindelijk moet je vooral jezelf terugvinden, die van vóórdat je een samen was. En dan jezelf opnieuw uitvinden.

Als vrienden.

FullSizeRender (21)

 

Onuitgenodigde gasten

Laat mij beginnen met een disclaimer. Ik ben geen politiek dier. Ook geen haarscherpe analist, of vileine filosoof. Niets menselijks is mij vreemd. De gedachten hieronder zijn dan ook niet gehinderd door al te veel kennis of theoretische achtergrond. Dat alles doet natuurlijk niets af aan mijn persoonlijke logica, waarbij ik overigens altijd de frase: ‘Ik ben het niet altijd eens met wat ik zeg’ hanteer.

In een artikel over terrorisme en verwarde mannen staat de zin: ‘terrorisme bestaat bij de gratie van de media.’ Daar ben ik het mee eens. Nog voordat zo’n gek zijn wapen heeft herladen, weet de halve wereld al wat er aan de hand is.

We tweeten, retweeten en delen ons helemaal suf, terwijl onze angst steeds meer wortel schiet. Er volgen analyses, artikelen, fotoreportages, tijdlijnen en video’s met schokkende beelden. En ergens in het kalifaat lacht een man in zijn vuistje.

In een ander artikel lees ik dat narcisten als Trump, Wilders en Johnson het steeds beter doen in onze mediacratie. “Het zijn stuk voor stuk opgeblazen ego’s die zelfspot noch schaamte kennen. En juist daarom kunnen veel journalisten geen genoeg van ze krijgen. De narcist in de mediacratie is als de seksverslaafde in het bordeel.”

Dus zowel de terroristen als de narcisten hebben momenteel een feestje, georganiseerd door de media. En met al onze tweets, posts, video’s en foto’s brengen wij ze vlijtig cadeau na cadeau. Ja, ook met dit stukje tekst, de woorden die ik zo zorgvuldig probeer te verpakken, ben ik de ideale gast.

Hoe doorbreken we die onmogelijke paradox? Hoe zorgen we ervoor dat redelijkheid, context en inhoud weer vanzelfsprekend worden? Anders gezegd: hoe krijgen we die ellendelingen ons huis uit, nadat ze zichzelf onuitgenodigd hebben binnengelaten en dronken van macht de boel kort en klein slaan?

Zoals ik al zei: ik ben geen filosoof. Maar de huidige situatie lijkt verdacht veel op dit raadsel: Als een boom in een bos omvalt en er is niemand in de buurt om het te horen, maakt het dan geluid?

Het wordt tijd om het feestje te verlaten.

#okdoei

via GIPHY

 

 

 

Het spel

Elke zaterdagochtend begint het spel: boven hoor ik mijn buren rommelen. Ik weet dat op een bepaald moment de buurman naar beneden komt om zijn dochtertje naar vermoedelijk iets sportieverigs te brengen. Mijn benedenbuurvrouw is iets lastiger te peilen: soms heeft ze nachtdienst, waardoor ze rond het tijdstip van het spel ineens thuiskomt.

Voorzichtig doe ik mijn deur open en luister ik: eerst met mijn oor naar boven, dan met mijn oor naar beneden. De kust lijkt veilig te zijn. In mijn hoofd ben ik zo lichtvoetig als een hinde, maar in realiteit dender ik waarschijnlijk de trap af als een bowlingbal die naar beneden wordt gegooid.

Ik tip toe snel naar beneden, gris de krant van de deurmat en wil nét aan de omgekeerde spurt naar boven beginnen, als ik boven de deur open hoor gaan.

shocked

Mijn haar staat alle kanten op, ik heb panda-ogen, een versleten t-shirt aan en mijn meisjes hangen los in de kooi. En de immer welriekende, fris gekapte, hippe buurman (want Frans) komt rap dichterbij met zijn dochtertje die al jaren vastzit in de ‘waarom-fase’.

Ik druk de krant tegen mijn borst en zet een hotel-glimlach op. ‘Hello, bonjour, bye bye’, kraai ik, terwijl we elkaar als zeilboot en olietanker passeren op de trap.

‘Why are you here?’

Dat rotkind.

‘To get the paper’, zeg ik zo vriendelijk mogelijk als dat gaat voor mijn koffie en voor 10 uur ’s morgens. Ik druk mezelf tegen de muur en hou de krant wat hoger, omdat ik door de aftershave van de buurman heen, mijn ochtendadem denk te ruiken.

‘Why aren’t you wearing any pants?’

side eye

Mijn buurman staat ondertussen met een brede glimlach naar mijn coupe chaos te kijken en monstert met geoefend oog de rest. Ik krijg een dikke onvoldoende, vrees ik.

‘Okay, bye bye have a nice morning’, krijs ik nu half hysterisch omdat ik zo verlang naar de kalme rust van mijn appartement, mijn koffie, mijn krantje en vooruit, zelfs mijn leesbril die ik steeds vaker nodig heb. Ik hink stap spring de laatste treden omhoog en smijt de deur achter me dicht.

Ik heb het spel verloren vandaag. Misschien moet ik me volgende week toch eerst douchen en aankleden voordat ik de krant pak.

Hell no.

Niek

100 vragen. Ik zie de doos staan bij de School of Life en pluk een kaart uit het inkijkexemplaar. Oeh. Lastig. Snel stop ik de kaart weer terug en loop ik naar de uitgang. Om mij vervolgens weer om te draaien. Ik koop 100 vragen.

Het is een druilerige avond en ik drentel wat door huis. Mijn oog valt op de doos met kaarten. Oh ja!

vraag 2

Dit is echt zo’n vraag voor in de kantine. Sorry, bedrijfsrestaurant. Ik heb ‘m zelf vaak gesteld aan collega’s toen ik nog in loondienst was. Het antwoord was altijd hetzelfde: ‘Pwah! Ik heb nooit een goede baas gehad.’ Iets met hoge bomen, vermoed ik.

Mijn eerste echte baas (dus bijbaanbazen tijdens schooltijd niet meegerekend) was Niek. Ik was een jaar of twintig en werkte bij Staatsbosbeheer op de afdeling automatisering. In de jaren ’90 was dat bepaald niet de meest enerverende afdeling van een organisatie. Niek had een rommelige baard, droeg corduroy broeken en had altijd een grijs vest aan. Denk Robin Williams in Good Will Hunting.

Wat ik me kan herinneren van Niek, is dat hij mij een ‘schatje’ vond. Zo zei hij dat ook altijd: ‘Mariska? Da’s een schatje.’ En uit zijn mond klonk het niet eens denigrerend of seksistisch. Ik ging voor Niek door het vuur. Hij wees me erop dat ik mijzelf moest bijspijkeren en dat ik meer kon dan ik dacht. En dus doorliep ik trouw alle Automatisering-en-Mechanisering-van-de-Bestuurlijke-Informatievoorziening modules.

Als je een beetje verkouden was, zei Niek: ‘Ga maar lekker naar huis hoor, en doe rustig aan.’ Zijn afdeling bestond uit systeembeheerders en ingenieurs die net zo grijs waren als zijn vest. Er stonden asbakken op de bureaus en de introductie van Windows NT was reden voor een hele middag van milde opwinding en gebak.

Na een jaar verliet ik Niek en Staatsbosbeheer voor een softwarebedrijf in Amsterdam. Ik begon er op de helpdesk. Mijn eerste dag was chaotisch en druk: mijn collega’s waren programmeur of implementatiebegeleider en er liep zelfs al een vormgever rond die zichzelf nog geen designer noemde.

Rond een uur of vier stond ik bij het bureau van mijn nieuwe baas: ‘Hoi Mark. Zeg, het was een indrukwekkende dag. Dus ik denk dat ik maar naar huis ga, want ik ben best een beetje moe.’ Zelden zo’n verbaasde blik gezien. Het duurde even voordat ik doorhad dat de werkethos bij een commercieel bedrijf ietsjes anders was dan bij de goedmoedige natuurbeheerder.

Daarna volgden nog vele bazen. Of liever managers. Mannen en vrouwen die varieerden tussen Bill Lumbergh uit Office Space en the Queen of Hearts uit Alice in Wonderland.

Sinds vier jaar ben ik eigen baas. En af en toe zeg ik tegen mezelf: ‘Weet je wat, je hebt gister tot laat doorgewerkt: doe het maar even rustig aan.’ Ik gun mezelf workshops die ik leuk of leerzaam vind en ga met enige regelmaat naar interessante conferenties of bijeenkomsten. Ik heb alle ruimte om dat te doen waar ik goed in ben.

Als ik facturen stuur, kijk ik terug naar wat ik heb opgeleverd aan mijn klanten. Ik bewaar alle boekjes, jaarverslagen, brochures, dm-brieven, magazines en print mooie acties, campagnes en homepages uit. Mooie opdrachten vier ik met iets lekkers, een wandeling door de stad, of over het strand. Of nieuwe schoenen, want daar kun je er nooit genoeg van hebben <insert schuldbewuste grijns>.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik al heel lang niet aan Niek heb gedacht. Maar hij is blijkbaar nooit helemaal weggegaan.

 

Een rotvraag

100 vragen. Ik zie de doos staan bij de School of Life en pluk een kaart uit het inkijkexemplaar. Oeh. Lastig. Snel stop ik de kaart weer terug en loop ik naar de uitgang. Om mij vervolgens weer om te draaien. Ik koop 100 vragen.

Als ik nou eens in de zoveel tijd één vraag beantwoord, ben ik op een gegeven moment een stuk wijzer, zo houd ik mezelf voor. Of juist niet. Hoe dan ook, het belooft interessant te worden. En dan plaats ik de vraag hier, met mijn eerlijke antwoord. Zit geen hond op te wachten natuurlijk, maar ik moet een stok achter de deur hebben, anders staat die doos binnen no time ergens achterin de boekenkast en dat is ook weer zo zonde.

Dus daar gaan we.

vraag1

Oh jakkes, meteen zo’n rotvraag.

Mijn ouders zijn gescheiden toen ik tien jaar was. Mijn vader, die nooit zo goed wist wat ‘ie met mij aan moest, trok zich na de scheiding terug als een krabbetje langs de vloedlijn. Hij had binnen een paar weken een nieuwe vrouw gevonden, waar hij bij introk. In mijn puberteit heb ik hem nauwelijks gezien.

Toen ik begin twintig was en ging samenwonen, voelde hij zich iets meer op zijn gemak: kon ‘ie een beetje babbelen over voetbal en een biertje drinken met mijn toenmalige vriend en stond ik in de keuken de afwas te doen met zijn vrouw. De wereldorde was hersteld.

Op mijn zevenentwintigste besloot ik communicatie te gaan studeren. Dat vond hij raar. ‘Studeren zit niet in onze familie’, bromde hij. Ik denk niet dat mijn vader ooit heeft gezegd dat hij trots op me was, of dat hij van me hield.

Ik was negenentwintig toen hij overleed. Als ik aan hem terugdenk doe ik dat met een zekere mildheid: hij was een introverte man die weer van zijn ouders had geleerd dat spontaniteit iets engs was. Ik vind het oprecht jammer dat ik hem nooit beter heb leren kennen. En hij mij.

Mijn moeder ging na de scheiding als een kanonskogel door haar tweede jeugd. Ze voelde zich bevrijd uit het zo geliefde huisje-boompje-beestje leven van mijn vader. Na een jaar de hort op, kwam ze een foute man tegen waar ze als een blok voor viel. Hij was knap, had een briljante babbel en maakte haar op sluwe wijze het hof.

Op mijn achttiende eindigde de wilde rit van mijn moeder met piepende remmen in een vechtscheiding. En ik had in de tussentijd meer gezien, gehoord en meegemaakt dan handig is voor een gezond beeld van de liefde.

Mijn vader blonk vooral uit in afwezig zijn of afkeurend gebrom. Dat zorgt aan de ene kant voor veel zelfstandigheid en onafhankelijkheid, maar aan de andere kant voor het onvermogen om iemand voor je te laten zorgen.

Mijn moeder viel op een man, die haar nog nét niet helemaal vernietigd heeft. Ze besloot op haar vierenveertigste nooit meer verliefd te worden en had jaren de tijd nodig om haar leven weer op de rit te krijgen. Daardoor heb ik een gezond wantrouwen richting mooie mannenbabbels, maar vind ik het ook moeilijk om mijzelf écht open te stellen en een verbinding aan te durven gaan.

Ik ben nu bijna net zo oud als mijn moeder toen ze besloot nooit meer verliefd te worden. Misschien is het een goed moment om die oude patronen los te laten en mijn eigen beeld van relaties en liefde te creëren.

Goh. Ik voel me nu al wijzer.

Anders #sowhat

In een wereld waarin alles kan, alles maakbaar en haalbaar is, triomfeert het monster van perfectie. Hij knalt zijn gesel van uiterlijke volmaaktheid zonder medelijden over ons heen. En wij, arme zielen, rennen en struikelen vooruit, angstig als we zijn voor zijn vernietigende oordeel.

We moeten witte tanden, leuke banen, glanzende haren, strakke buiken, verre vakanties, faire kleding, rechte neuzen, briljante ideeën, hippe huizen, gladde huiden, grootse liefdes en gevulde lippen. We proppen ons leven in een voorgebakken mal, waarin eigenlijk niks past maar we duwen en kneden net zolang dat we er gebutst, gebroken en vermoeid in vallen. #ilovemylife, zeggen we dan opgelucht.

Het monster van perfectie eist volledige toewijding. Dus rennen we, voort en voort, door en verder. We wijzen het monster gretig op de rafels van anderen, zodat zijn oog ons niet ziet. We omarmen gedwee het gevoel dat het nooit goed genoeg is. We schreeuwen #nopainnogain en #justdoit om onze eigen stem niet te horen.

In een wereld waarin geen echte zorgen heersen, moeten we op elkaar lijken om te overleven. Perfectie tolereert immers geen eigenheid, geen kreukels, geen striae, geen nuances en geen onzekerheid. Het roept op tot gehoorzaamheid en noemt dat doorzettingsvermogen. Het verlangt onderdanigheid en noemt dat karakter.

Pas als we het monster aan durven te kijken, zien we zijn misleiding. Perfectie? Dat is niets anders dan een zelfgecreëerd rookgordijn. Een rookgordijn om de overweldigende angst te verhullen er niet bij te horen. In een wereld die steeds kleiner wordt, waarin we alles weten van iedereen en iedereen op elkaar lijkt, is anders zijn een rebelse daad die met argwaan bekeken wordt.

Anders zijn, in welke vorm dan ook, moet je altijd verklaren, uitleggen, verdedigen of verontschuldigen.

Laten we maar eens beginnen om daarmee te stoppen.