A Perfect Day

Ik woon vlakbij de Westergasfabriek in Amsterdam en daar is altijd iets te doen. Vandaag slenterde ik de tentoonstelling A Perfect Day naar binnen, ’Een internationale tekenshow van humoristische tekenkunst’. Met werk van onder andere Jan Rothuizen en Dave Eggers, waarvan ik helemaal niet wist dat hij ook tekende. 

Nu ben ik fan van die eerste. Dat zijn tekeningen helemaal in een donker hoekje hingen, vond ik dus jammer. Sowieso is de tentoonstelling erg rommelig en dat is vast de bedoeling. Alleen krijgt de control freak in mij dan de neiging om dingen recht te gaan hangen. Dat terzijde.

Doodelen op een post-it. Wie doet het niet? Ik ga ze voortaan maar bewaren.

Aan. Uit. Aan. Uit. Dat was eigenlijk de enige bezigheid van deze animatie. Hypnotiserend.

Mijn held Rothuizen hing in een donker hoekje. Zijn tekeningen dan. Jammer.

De New Yorker. Beroemd en berucht om de getekende covers.

Ik hoopte stiekem op een cover van Sempé. Dan had ik er nu nog gestaan denk ik.

Goed ingeschat.

Daar ga ik nog even over nadenken. En ik had toch gewoon naar de Talent Night moeten gaan :-)

Toen ik weer buiten stond, liep ik mijn neus achterna. Letterlijk. Er was namelijk ook nog een ‘Food market’. Food! Food!

Het zag er lekker uit en rook overheerlijk. In het midden van de hal stond tout hip & happening Amsterdam aan een wijntje te nippen. En dan heb ik  alweer gegeten en gedronken.

Dus ik maakte snel mijn foto’s en droop af. Bij de Westergasfabriek is altijd wat te doen. Je moet er alleen wel zin in hebben. Nu zit ik op de bank met een boek, een kop thee en mijn lief binnen handbereik. En dát is wat mij betreft A Perfect Day.

 

De Poolse d’r uit

Een jaar of twaalf geleden dronk ik met een Italiaanse vriend cappuccino bij Van Daele, vlakbij de Dam. Ik plaagde hem met Berlusconi. Hij roemde de Hollandse tolerantie en nuchterheid. ‘Jullie hebben tenminste normale en intelligente mensen in de regering zitten’, verzuchtte hij. ‘Wij zitten met een idioot opgescheept.’

Ik kon niet anders dan deze korte doch terechte analyse beamen en bestelde een tosti met ham, kaas en pindasaus om in te dippen. Ook deze culinaire schok zorgde voor een lyrische lofzang op de Nederlandse tegendraadsheid. ‘Warme pindakaas. Jullie zijn bizarro’. Hij keek vertederd.

Er kan een hoop gebeuren in twaalf jaar tijd. En ik vraag me af hoe het gesprek nú zou verlopen.

- ‘Zeg. Die brutto… hoe heet hij, Wilders, met dat rare haar? Is die serieus?’
- ‘Ja, ik ben bang van wel.’
- ‘Dus hij wil nu naast moslims ook Oost-Europeanen het land uit hebben?’
- ‘Ik denk dat hij iedereen het land uit wil hebben. Behalve zijn kapper.’
- ‘Maar waar is dat vriendelijke land gebleven van tosti met pindasaus?’
- ‘Overgenomen door Henk en Ingrid.’
- ‘Wie?’

Ik zou hem moeten uitleggen dat Henk en Ingrid staan voor een verontruste groep Nederlanders die met samengeknepen billen bang zijn voor alles en iedereen. Die hoofddoekjes maar eng vinden en denken dat iedere Pool hun baantje afpakt. Die eigenlijk geen idee hebben waar het over gaat, maar hun blonde akela zegt het, dus dan is het De Waarheid.

Henk en Ingrid wijzen naar de grote boze buitenwereld en zeggen: ‘het is hun schuld.’

Ik zou hem moeten uitleggen dat het verstand dit land verlaten heeft. Dat we zijn overgeleverd aan een minister-president die schaapachtig aan de zijkant staat, terwijl de Ruttevanger van Hamelen lachend voorbij dendert met een stoet onnozelen in zijn kielzog.

En dan bestel ik een tosti ham-kaas met pindasaus voor ons.

Het is hun ze schuld!

Plantaardig is ook zo kaal

Een tijdje terug schreef ik, licht verbolgen, over alle chemische rommel die je aantreft in light-producten. Met aspartaam vooraan in de rij als de Krimson onder de zoetstoffen.

Een gezonder en plantaardig alternatief is stevia. Stevia groeit in Midden- en Zuid-Amerika en is 300 keer zoeter dan suiker. Met als voordeel, of zeg maar gerust, mega-USP, dat het calorie-arm is. Je zou dus denken dat onze obesitasvrezende overheid dit product juichend binnen heeft gehaald.

Nou. Nee.

Want de suiker- en zoetstoflobby is nog altijd vele malen machtiger dan een met zijn vinger zwaaiende Paul Rosenmöller van het Convenant Gezond Gewicht. Dus werd stevia jarenlang buiten de deur gehouden. Dankzij een vasthoudende Belgische professor, die alle bezwaren van de tafel wist te vegen, is stevia na tien jaar eindelijk toegelaten in de EU.

Mooi.

Ik kocht stevia voor het eerst ruim een jaar geleden, op de Noordermarkt in Amsterdam. Stevia uit Paraguay. Zonder toevoegingen of wat dan ook, gewoon het plantje, maar dan in poedervorm. De wat bittere nasmaak is er al uitgehaald, door een natuurlijk proces. Je hebt maar een snufje nodig, want het is superzoet. Dus met zo’n potje van € 25,- doe je bij regelmatig gebruik een jaar.

Tot mijn verrassing zag ik vandaag nieuwe zoetjes staan in de schappen van de supermarkt. Stevia zoetjes van Natrena.

Ik kocht een doosje met 100 zoetjes voor € 3.09. Mopperend over de prijs, keek ik op de achterkant. Natrena dacht blijkbaar: alleen maar plantaardig? Da’s ook zo kaal! Dus zit er in één zoetje slechts 12,5% stevia en hebben ze de rest opgevuld met:

Lactose.

Waarom? Waarom zit er in godsnaam melksuiker in dit zoetje? Om het nóg zoeter te maken? Witter? Om je te laten loeien als een koe?

Vernet carboxymethylcelullose (3x woordwaarde in wordfeud).

Dit goedje wordt gewonnen uit E460. Ik citeer: Verdikkingsmiddel en vulmiddel voor additieven. Dit is een wit poeder dat vrijkomt bij de productie van katoen. Het wordt ook gebruikt in lak en vernis, bij de productie van rubber en bij de behandeling van lakens en stoffen. Sinds 1961 hebben twee wetenschappers dit additief aangemerkt en aangemeld als kankerverwekkend, maar het is nog altijd toegestaan.

Sucralose.

Ook wel E955 genoemd. Een synthetisch zoetmiddel dat uit met chloor behandelde sacharose is gemaakt. Dit additief is ook bekend onder de merknaam SplendaTM en is 600 keer zoeter dan suiker. Risico’s: beschadiging van het immuunsysteem aangezien het voornamelijk de lever en de nieren aantast.

Beste mensen van Natrena: als 12,5% stevia niet zoet genoeg is waarom maak je er dan geen 100% van in plaats van het toevoegen van een zoetmiddel aan een zoetmiddel?

And last but not least.

L-Leucin.

Dit aminozuur wordt voornamelijk door bodybuilders de hemel in geprezen. Je insulinespiegel stijgt door het gebruik van Leucine namelijk de pan uit, waardoor je na een flinke training nog even lekker aan spieraanmaak kan doen. Ik citeer: Je geeft je spiercellen een anabole prikkel.

Juist.

De vraag is nu: waarom? Waarom vindt Natrena het nodig om stevia aan te vullen met bovenstaande troep? Om iedereen verslaafd te houden aan chemische rommel, zodat we het maar blijven kopen? Is de grootste producent van aspartaam en andere smaakversterkers bang voor zijn jaaromzet van 9,84 miljard dollar?

Ik slik het in ieder geval niet meer voor zoete koek.

HIj wel…  

 

‘Dag’

In het ziekenhuis lopen we rondjes in een lege gang, waar twee houten kuipstoeltjes aan elkaar vast geklonken zitten. Verpleegsters tsjip-tsjoppen voorbij op hun plastic gezondheidsklompjes.

Ik wil overal zijn. Behalve hier. En tegelijkertijd wil ik nergens anders zijn. Ik zie de mensen om mij heen, die haar liefhebben, in enkele uren jaren ouder worden.

We krijgen de familiekamer. Dat is slecht nieuws. Als je de familiekamer krijgt, weet je dat de laatste pagina’s in het boek worden omgeslagen. Je kunt wel proberen om zo langzaam mogelijk te lezen, maar voorbij die laatste bladzijde zijn geen woorden meer.

Zij zag dat eerder dan wij.

We drinken lauwe thee, bittere koffie en halen broodjes in de kantine. Herinneringen komen tevoorschijn. ‘Weet je nog?’ We ontrafelen haar rol in ons leven, om los te kunnen laten. Als er voetstappen in de gang klinken, stokken onze gesprekken. Ze lopen door en we ademen weer uit.

Dagen gaan voorbij.

Het enige wat we kunnen doen is liefde geven. Wat in het gewone leven soms zo moeilijk is, gaat nu vanzelf. Mijn hart breekt als ik hun handen verstrengeld zie. Loslaten is het moeilijkste wat er is.

Ik druk een kus op haar voorhoofd. ‘Dag’, zeg ik. Meer kan ik niet bedenken, al het andere is overbodig. We lopen de gang weer in die niets troostrijks heeft maar ontluisterend onpersoonlijk voor ons ligt.

‘Het is goed zo’. Hij zegt het aarzelend, alsof zijn hart het nog niet eens is met zijn hoofd. Ik hou hem vast. Zo blijven we een tijdje staan, stil.

Het begin van de middag breekt aan. De familiekamer is leeg. Om haar bed een cirkel van liefde. En ook al kende ik haar nog niet zo lang, ik voel het wanneer ze ons verlaat.

De wereld stond even stil.

Imagine

Ik zit aan mijn eigen tafeltje. Met mijn vinger ga ik over de diepe nerf, die precies in het midden van het donkerbruine blad loopt. Voor me staat een wit bord met een rand van gekleurde bloemetjes. Er ligt een witte boterham op, met roomboter en speculaas. Ik neem kleine slokjes van mijn chocomel.

Uit de radio schalt ‘Ik geef je een roosje, mijn roosje’ van Conny van den Bos. Buiten zie ik onze auto staan: een blauwe Ford Taunus, mijn vaders trots en genot. Aan de overkant geeft buurvrouw Bep haar geraniums water.

Mijn moeder geeft me een aai over mijn bol. Ik wiebel met mijn voeten op de maat mee van ‘Living next door to Alice’, terwijl ik mijn boterham opeet. De kruimeltjes vallen op de oranje vloerbedekking.

Ondertussen druppelt de band van mijn vader binnen, om te repeteren. Dat doen ze altijd in onze huiskamer. Mijn vader heeft een shagje in zijn mond en een geruite broek aan met wijde pijpen. Hij zet zijn drumstel op. Ik hoop dat ik straks op zijn schoot mee mag drummen en drink snel mijn glas leeg.

De buurvrouw waant zich ongezien en gluurt door haar vitrage bij ons naar binnen. Als ik zwaai doet ze snel een stapje naar achteren. Ik hoor mijn moeder lachen.

Ik wist toen nog niet dat de herinnering aan deze middag voor altijd in mijn geheugen gegrift zou staan. Omdat het zo onbezorgd was. Omdat mensen naar Imagine van John Lennon luisterden en het niet onmogelijk vonden.

Ik ben een kind van de jaren ’70. Ik word melancholiek van oranje-met-paarse gordijnen, lichtbruine corduroy, pluizige bakkebaarden, typemachines, blokjes kaas met een uitje en 8mm filmpjes.

En ik zou de wereld van nu soms heel graag willen terugdraaien naar toen.

echtpaar

Ochtend ongeduld

Ze staan er weer. Zij voorop en hij vlak achter haar. Ze heeft beide handen stevig om haar handtas gesloten, die ze voor haar buik houdt. Mondhoeken naar beneden, blik op iets waaraan ze zich ergert. Of misschien ergert ze zich aan alles.

Terwijl hij naar zijn voeten kijkt, valt er een grijze lok voor zijn ogen. Langzaam veegt hij zijn haar weer netjes opzij. Hij zucht en kijkt naar de rechte rug van zijn vrouw.

Nog voordat de tram is gestopt, begint zij driftig op het knopje van de deur te drukken. Het lijkt me iemand die niet houdt van wachten. Ook niet op de dingen die vanzelf gaan. Ze beent de tram in en houdt haar ov-chip voor de kaartlezer.

Het blijft stil.

Ze veegt haar ov-chip nog een keer voor de kaartlezer, nu met meer venijn. Maar de goedkeurende bliep blijft uit. Haar man kucht. ‘Doet ‘ie het niet?’, vraagt hij. Ze kijkt geërgerd om, haar ogen tot spleetjes geknepen.

Nu leunt de conducteur gemoedelijk voorover in zijn kunststofglazen hokje. ‘Doet ‘ie het niet?’, vraagt hij. Ze loopt rood aan. Zelfs de mensen achter haar man houden hun adem in. Haar hand vliegt nu als een bezetene langs de kaartlezer. ‘Wat denk je zelf?!’ Van elk woord druipt ingehouden woede.

Haar man rommelt in zijn zakken en vist zijn eigen kaartje op. Snel haalt hij hem langs de lezer.

Bliep!

Dit is het startsein voor de rij om ook in te stappen. Bij elke voorbij zwierende ov-chip laat de kaartlezer een tevreden bliep horen en priemen twee woedende ogen in de rug van de bezitter. De deuren sluiten.

‘Probeer het nog eens’, zegt haar man. ‘Als ‘ie het niet doet, dan kopen we wel een kaartje.’ Ik denk dat de vrouw elk moment kan ontploffen, maar ze houdt haar kaartje  voor de lezer.

Bliep.

‘Je moet ook niet zo ongeduldig zijn, Annie.’

echtpaar

Oppassen

Terwijl de meeste vrouwen wel een oppashistorie hebben, is mijn curriculum op dat gebied oorverdovend stil. Ik ben enig kind, dus oppassen op een broertje of zusje was niet nodig. Nichtjes en neefjes woonden niet in de buurt. Buurtkinderen waren van mijn eigen leeftijd.

Bovendien maakte ik mij sowieso uit de voeten zodra er kleine kinderen in zicht waren. Ze konden dan wel snoezig lijken, maar er kwam altijd een moment waarop zo’n schattige peuter ineens veranderde in een miniatuurversie van Satan.

Gremlins zijn het.

Naarmate de jaren verstreken, voelde ik nimmer de drang om vertederd in een kinderwagen te kijken.  Terwijl collega’s kirrend opsprongen als er weer eens een baby werd geshowd, veinsde ik een spoedklus. ‘Jaaa, lief hoor’, mompelde ik in het voorbijgaan, de verse moeder een klapje op de schouder gevend.

Kijk, ik vind de kinderen van mijn vrienden allemaal om op te vreten. Geen zorgen, dat bedoel ik figuurlijk. En ik kan heus genieten van mollige kleuterbeentjes en sniffende snotneuzen. Maar ondanks de moederlijke kwaliteiten die mij door vreemden altijd zijn toegedicht, zei een vriendin al snel tegen mij: ‘Maak je niet ongerust, ik zal je nooit uitnodigen voor een kinderpartijtje.’ Godzijdank.

Nu heeft mijn vriend twee nichtjes. Ze zijn leuk, lief, bijdehand en dol op hun grote oom. Die liefde is, vanzelfsprekend, wederzijds.

En of wij een weekendje wilden oppassen.

Ehm.

‘Je hebt nog nóóit opgepast?’ Hij vraagt het met opgetrokken wenkbrauwen. Ik voel me bijna triomfantelijk als ik zeg: ‘Inderdaad. Nog nooit.’

Waarna ik moedig besluit dat ik nu toch echt volwassen genoeg ben om op twee meisjes van tien en zeven jaar te passen.

Gewoon geen water over ze heen gooien.

Oppassen

* Voor J&J: het was supergezellig en ik zou het zo weer doen ;-)

 

Door andere ogen

Ooit was ik ervan overtuigd dat ik een heks was. Niet de Eucalypta variant, maar de Susan Smit versie. Ik brandde kaarsjes dat het een lieve lust was, zette met Midzomer zonnebloemen in mijn huiskamer en prevelde zelfbedachte – en slecht rijmende – spreuken.

Toen ik bomen begon te knuffelen, zette ik de heks in mij op een bezemsteel en joeg haar naar verre oorden. Ik was zoekende. Laten we het daar maar op houden.

Toch heb ik in die tijd interessante dingen geleerd en gelezen. De filosofie van deze natuurreligie is boeiend en de geschiedenis ronduit schokkend. In de middeleeuwen zijn miljoenen onschuldige vrouwen op de brandstapel terechtgekomen, puur uit angst en bijgeloof. Ik heb gegruweld toen ik delen uit het boek Malleus Maleficarum las.

Daarin wordt de vrouw beschreven als slecht, zwak en inferieur. Naast ongelovig, eerzuchtig, wraakzuchtig en hebzuchtig. Dus hop, in de fik ermee. Dat het geschreven was door twee gefrustreerde monniken mag duidelijk zijn.

De moderne heks haalt haar schouders op bij zoveel onzin. Zij leeft volgens de wet van drie:

1. Doe wat je wilt, mits je niets of niemand schaadt.
2. Dat wat je doet, komt drie keer bij je terug.
3. Wees voorzichtig met wat je vraagt. Het zou wel eens kunnen uitkomen.

En ondanks dat ik een beetje doorschoot in het omarmen van de aarde, vind ik deze regels eigenlijk heel erg ‘down to earth’.

Waarom ik hieraan moest denken, kwam door een leuk gesprek met een meisje van een jaar of vijfentwintig. Ineens zag ik mijzelf door haar ogen. Ik weet niet hoe dat met jullie zit, maar in mijn hoofd ben ik nooit ouder geworden dan 28 jaar. Terwijl er ondertussen toch echt *kuch* ruim tien jaar verstreken zijn.

Maar nu zag ik mijzelf door de ogen van dit meisje. Zomaar. Ineens.

Ik zag een vrouw die vol enthousiasme vertelde over haar werk en die haar kennis zó vanzelfsprekend vond, dat de blik van respect haar bijna ontging. En zonder arrogant te willen zijn, realiseerde ik mij dat ik in een nieuwe fase van mijn werkende leven was aangekomen.

Ik kan andere mensen iets leren.

Het is misschien oneindig duf om dit met stilte boven en onder deze zin aan te kondigen, maar voor mij was het een openbaring. Heksen geloven in de wijze vrouw. De ‘crone’. Zij vertegenwoordigt kennis die je alleen maar krijgt door de lessen van het leven aan te gaan. Daar ben ik nog lang niet. Maar ik begreep vanmorgen wel dat ik geen ‘meisje’ meer ben.

Wat ben ik daar blij om.

Happy go lucky

Geluk is zo’n groots begrip, zo’n allesomvattend woord, dat als je erover nadenkt je al snel verzandt in grootse gedachten. Ik kan pas gelukkig zijn als ik rijk ben. Ik kan pas gelukkig zijn als ik slank ben. Ik kan pas gelukkig zijn als ik succesvol ben. Ik kan pas gelukkig zijn als ik de prins van zijn witte paard heb gesleurd. Zoiets.

Terwijl geluk juist zit in de kleine dingen. Dat weten we allemaal. Maar die kleine dingen waarderen we altijd te laat, of nog erger: niet. ‘Oh ja’, zeggen we dan: ‘Toen was ik echt gelukkig.’ Tientallen spreekwoorden wijzen ons op die lacune in ons leervermogen.

Ik ga hier geen gospel zingen dat je toch vooral oog moet hebben voor de zon die door de wolken schijnt, een merel die fluit, lekkere koffie of je favoriete nummer op de radio. Hoewel…

Speel eens even met me mee. Wanneer was je voor het laatst gelukkig?

Ah. Zie je?

Misschien was het iets kleins.

Het geinige van geluk is: je kunt het oproepen. Zomaar. Gratis! Je hoeft niet eens te wachten op al die grote dingen, zoals de loterij winnen, het figuur van Cameron Diaz (v)/David Beckham (m)/Lady Gaga (m/v), een promotie, een aanzoek, of voor de hebberds onder ons: wereldvrede.

Het gaat gewoon om dat ene moment waarop voor jou alles klopt, de wereld even stilstaat en de maan, zon, sterren en hemel om jou draaien. En dat je het dan ook beseft.

Dát is geluk.

Van Reineke kreeg ik een prachtige aanvulling op mijn verhaal. Bekijk deze video. Doen: http://www.ted.com/talks/lang/eng/brene_brown_on_vulnerability.html

You're the happy in my ness

 

Quick quick slow

Stel je een wereld voor waarin de markt niet bestaat. Ik bedoel de markt op donderdag of zaterdag, waar je groenten koopt, een bos bloemen of een stukje boerenkaas. Welnu, als je je ooit afvraagt waarom Amerikanen als een dolle foto’s maken van de bloemetjesmarkt in Amsterdam, ik weet het antwoord. Ze kennen het concept ‘markt’ niet.

In San Francisco organiseren ze daarom speciale excursies, onder de bezielende leiding van een diëtiste, naar zogenaamde ‘farmer markets’. Wat hier heel normaal is, vinden ze overzee heel bijzonder. ‘Wow, look at that honey, fresh vegetables!’ Dat is eigenlijk even triest als grappig.

Toch is het niet zo raar te denken dat het hier ook nog eens zo ver komt. We eten steeds meer uit potjes, pakjes en blikken. En dat moet iedereen natuurlijk voor zich weten. Ik heb jarenlang meer uit gemak gegeten dan met smaak. Als je hard werkt en pas rond zeven uur van je werk vertrekt, is de route naar de Chinees ingesleten. ‘Kip met satésaus ja? Witte rijst? En weer kroepoek bij?’

Het is dus even omschakelen naar een eetstijl die dichterbij de natuur staat dan de gemiddelde portie babi-pangang. Ik doe langer over mijn boodschappen – niet omdat ik zelf een koe omleg, maar omdat ik echt even moet zoeken naar vers voer.

De vraag ‘wat zal ik eten vandaag?’ is niet meer zo eenvoudig te beantwoorden als je niet naar de stoom-, magnetron-, en er-hoeft-alleen-nog-water-bij-maaltijden kijkt. In bijna alles wat voorverpakt, voorgekookt of voorbereid is, zitten kunstmatige hulpstoffen. Dat is ook logisch, want het moet allemaal goed bewaard blijven.

Maar ik ga dapper van fastfood naar slowfood. En nee, dat is geen probleem, dat is een – zeg het met mij – uitdaging.

Ik dwaal daarom rond bij de groenten in de supermarkt en mijn oog valt op de groene asperges. Lekker. Geen idee wat ik ermee ga doen, maar lekker. Ik pak ook nog een zak biologische aardappels en bosuitjes. En een blikje maïs. Om die nou ook nog zelf te koken, gaat me te ver. Je moet niet overdrijven.

Thuis leg ik alles neer op het aanrecht en kijk tevreden naar mijn boodschappen. Wat schaft de pot?

Zelfgemaakte patat: twee aardappels met schil en al in reepjes snijden, even koken en dan op de ovenbakplaat leggen. Scheutje olijfolie eroverheen, wat zout en kruiden. Klaar.

Maïskoekjes: prak de maïs een beetje, meng het met een eitje en een scheutje melk. Peper en zout erbij en de gesneden bosuitjes. Met een lepel in de koekenpan scheppen en met de tong uit de mond proberen om er een mooi ronde vorm van te maken. Als het jou lukt, zie ik graag een foto!

Groene asperges. Die zijn makkelijk. Even in de pan met kokend water en hoppa, op je bord.

En zo eet ik een maaltijd die mijn keuken eruit laat zien als een slagveld, maar écht smaakt. En oh ja, zonder vlees. Elke dag vlees happen, hoeft voor mij niet zo nodig. Maar dat is weer een ander verhaal.

Bon appetit!Boontjes en prut… hmm, dan toch maar even in de keuken staan.