Luister,

Als je geen eigenaar bent van de ervaring, kun je er niks over zeggen.

Ben je nooit arm geweest?
Dan weet je niet hoe het is om de eindjes voortdurend aan elkaar te moeten knopen.

Ben je altijd slank geweest?
Dan weet je niet hoe het is om uitgelachen te worden door je omvang.

Ben je hetero?
Dan weet je niet hoe het is als je niet hand in hand met je partner durft te lopen.

Ben je wit?
Dan weet je niet hoe het is als je verbaal of fysiek te maken krijgt met racisme.

Ben je nooit verkracht?
Dan weet je niet hoe het is als jouw lijf en geest geweld is aangedaan.

Als je geen eigenaar bent van de ervaring, mag je er niks over zeggen.

Omdat je daarmee tegen de rechtmatige eigenaar zegt: jouw gevoel doet er niet toe, IK ben belangrijker. Ik gijzel jouw ervaring met mijn mening en geef het je pas terug als ik gelijk heb gekregen.

Als je geen eigenaar bent van de ervaring, dan luister je.
Als je geen eigenaar bent van de ervaring, dan stel je oprechte vragen.
Als je geen eigenaar bent van de ervaring, dan probeer je te leren.

Dat heet respect. Het gevoel waarmee je laat merken dat je iemand aanvaardt als een waardig en waardevol mens.

Daar mogen meer mensen eigenaar van worden.

Het ultieme verkoopverhaal

Voor mijn werk duik ik nogal eens in de boeiende wereld van verkooptechnieken. In die wereld buitelen zelfverklaarde goeroes over elkaar heen met eieren van Columbus, vind je talloze do’s en heel veel dont’s en schreeuwt iedereen de waarheid in pacht. Heerlijk.

Nu belde mijn moeder afgelopen weekend. ‘Ja, ik heb dus zojuist schoenen gekocht voor 289 euro’, zei ze beduusd. ‘En ik weet eigenlijk niet precies hoe dat nou is gebeurd.’ Ik vroeg door en kreeg het ultieme verkoopverhaal te horen.

Wat voorgeschiedenis: mijn moeder is dol op schoenen (en heeft die fascinatie aan mij doorgegeven, maar dit terzijde). Verder heeft ze dus wel dezelfde hobby als Imelda Marcus  maar niet dezelfde portemonnee, dus  bijna 300 euro voor een paar nieuwe pattas is een ongekende hap uit haar budget.

Ze had de winkel nog niet echt eerder gezien, maar ineens viel haar oog erop. Een winkel gespecialiseerd in moeilijke voeten. Dat is natuurlijk honing voor iemand met een schoenenfetisj. Zoemend ging ze dan ook naar binnen.

De alleraardigste verkoopster nam alle tijd voor haar. Ruim een half uur hoorde ze mijn moeder aan over haar gebroken teen, haar knobbels, gescheurde achillespees en allerlei andere zaken die het Vinden Van De Perfecte Schoen de complete Lord of the Rings trilogie liet verbleken tot een miezerig sprookje voor het slapen gaan.

Vervolgens bekeek de verkoopster de voeten van het moederschip van teen tot teen en gaf ze de bevestiging die zo graag gehoord werd: dit waren inderdaad héle moeilijke voeten. Ze gooide er nog wat medische termen doorheen, wees op het feit dat ze tevens podoloog was en liet aan de hand van de huidige schoenen precies zien waar het toch allemaal mis ging. In gedachten zag ik mijn moeder als een spinnende kat daar op de stoel zitten.

Ondertussen waren er ook andere klanten binnengekomen. Maar zonder zichtbare haast bleef de verkoopster geduldig bezig met mijn moeder. Ze haalde doos na doos tevoorschijn met verantwoorde, gezonde en duurzame maar vooral hele dure schoenen. Gympen, laarsjes, instappers: met een schoenlepel werd alles zorgvuldig aangedaan, tot aan het bijna liefdevol knopen van de veters.

Mijn moeder voelde de druk toenemen.
Er overviel haar een licht gevoel van schuld.

Kon ze de winkel nu nog wel uitlopen zónder iets te kopen? De verkoopster, tevens podoloog, was zo druk met haar en al die andere klanten die nu maar zaten te wachten… Bovendien was het haar duidelijk geworden dat ze deze schoenen, deze párels, echt enorm nodig had. Nu. Om het haar héle moeilijke voeten in de toekomst niet nog moeilijker te maken.

En zo kwam het dat mijn moeder haar bankpasje pakte en tot haar eigen verbazing 289 euro aftikte. Alsof het niks was. Alsof ze niet dagelijks in haar huishoudboekje bijhield hoeveel geld ze had uitgegeven aan boodschappen zodat ze haar weekbudget niet zou overschrijden.

Ik legde haar de gebruikte verkooptechnieken uit. Wederkerigheid: iemand doet iets aardigs en (op het oog) vrijblijvends voor jou, waardoor je het gevoel hebt dat je iets terug moet doen. Autoriteit: de hele winkel en de verkoopster stralen deskundigheid uit. En daarnaast natuurlijk de allerbelangrijkste techniek als je iets wilt verkopen: aandacht.

We willen allemaal gezien en gehoord worden. De verkoopster gaf haar volledige aandacht en wist door goed te luisteren een behoefte te creëren bij mijn moeder, die ze daarvoor nog niet had.

Vanuit professioneel oogpunt: chapeau.

‘Maar ben je er wel blij mee?’, vroeg ik uiteindelijk. Want nou ja ach… als je dan toch het gevoel hebt de allermooiste aankoop van het jaar te hebben gedaan, dan moet je jezelf soms ook even kietelen en er lekker een smak geld tegenaan gooien. Yolo en zo.

‘Nee, niet echt… want ze lopen eigenlijk niet eens zo lekker.’

Verkooptechnieken: ze werken absoluut, maar ze kunnen ook een verdomd rottige nasmaak geven.

Epiloog
Mijn moeder is teruggegaan naar de winkel en heeft aangegeven spijt te hebben van haar aankoop. Geld teruggeven deden ze niet, maar ze mocht wel ruilen dus koos ze de allergoedkoopste sneakers die er waren (toch nog 149 euro) en kreeg het resterende geld terug. Ze gaat er nooit meer heen.

Poep

Op het gevaar af dat dit een aflevering wordt van Oma Vertelt, wil ik toch graag even een mijmering met jullie delen. Nee wacht, het is geen mijmering, het is een constatering. En die luidt als volgt (kuch): wat heb ik te doen met de tieners van nu. En ik bedoel dat niet tuttig hè? En ook niet verwijtend of betweterig. Nou ja, misschien een beetje.

Maar het komt zo.

Al scrollend door Instagram, zag ik een mooi vakantieplaatje van iemand die ik volg. Blauwe zee, kind in het water, helemaal fijn. De locatie: Balos Beach and Lagoon. Ik tikte even op die locatie, nieuwsgierig. Het blijkt Kreta te zijn. Prachtig, kan zo op het verlanglijstje.

Toen viel mijn oog op de populaire foto’s van deze locatie.

thumbnail_IMG_2141

Influencers.

Ik zou willen zeggen, in alle vormen en maten maar dat is niet zo. Je hebt de smaak: meisje, met lang haar. En je hebt de smaak: jongen, met rugzak. Ze staan er allemaal hetzelfde bij en laten zich op dezelfde plek fotograferen. Er is geen creativiteit, niemand die buiten de lijntjes kleurt, het is ALLEMAAL HETZELFDE.

thumbnail_IMG_2142

Saai beschrijft het niet eens. Het is gewoon… niksig. Onverschillig, kleurloos, monotoon.

Het is… mèh.

Natuurlijk, ik weet het, ik weet het. Tijden veranderen, en dit zijn nu de mensen die invloed hebben op de tieners van nu. Zij checken Instagram, Snapchat en YouTube om hun mening te vormen, om hun gedachten te slijpen en zich te boetseren naar hun voorbeeld zodat ze uiteindelijk zichzelf kunnen vinden.

Maar hoe vind je jezelf nou aan de hand van dit soort eenheidsworst? Hoe kun je nou weten of je opgeschoren haar wilt, aan de ene kant paars en aan de andere kant groen, of je jezelf okay vindt als je dikker, dunner, langer, kleiner, bruiner bent, van meisjes, jongens of allebei houdt, of mensenrechten je iets doen, geschiedenis je boeit, een nerd bent, van reizen of vakantie houdt, van andere culturen, science fiction, kwantumfysica, of mode die zo anders is dat mensen je nakijken op straat?

En dat je dan tóch denkt: f*ck it.
Ik ben wie ík ben.
Mijn beeld is dat van mij en van niemand anders.
Ik durf anders te zijn. En tegelijkertijd anderen te omarmen.

Hoe kom je op dit punt als alles en iedereen hetzelfde is, hetzelfde eruit ziet, hetzelfde doet en dezelfde meningen deelt? Als de kudde maar vooruit dendert, hoe kun je dan nog een andere afslag nemen?

En nu kom ik op het Oma Vertelt punt uit.

Ik dacht terug aan mijn eigen tienerjaren (ja ja, je mag hier met je ogen rollen). Mijn ‘influencers’ waren mensen als Prince, Mandela, Prinses Diana, Bob Geldoff en Molly Ringwold (allemaal te googelen).

Ik kon alleen over ze lezen in blaadjes, ik zag ze soms op tv, ik had posters in mijn kamer en ik wisselde informatie uit met mijn vrienden waarbij de achterklap werd getoetst op feiten zodat ik moest toegeven dat Bananarama toch wel heel gaaf was.

Ik schaafde mijn mening, gedachten en zelfbeeld aan een zanger, een prinses, actrices, een activist, een wereldleider, een programmeur en Boy George. De een was misschien nog creatiever, maffer, intelligenter, vreemder en koekoek dan de ander, maar het was in ieder geval niet saai.

thumbnail_IMG_2143

Anyhoe. Wat heeft de wereld aan deze constatering Maris? Helemaal niks.

Maar geloof me, ik hou van social media en van vooruitgang, van nieuwe ontwikkelingen en van veranderingen. Er zijn talloze andere, fascinerende en bijzondere kanten van de online wereld. Die foto’s bij Balos Beach and Lagoon stemden me alleen een beetje melancholisch. Misschien is dit dus toch een mijmering.

Voordat ik nu iets begin te mummelen over het tuinpad van mijn vader, klim ik nog even die zeepkist op.

Wat je ook doet, hoe je er ook uitziet, wie je ook bent, wat je dromen ook zijn, je verlangens, wensen, mening, voorkeur, liefdes, patat of friet: kijk eens verder dan online en durf los te komen van de kudde.

Anders sta je altijd in de poep van een ander.

[/OMA OUT]

Kom van die kast af

Ik ben een redelijk aimabel persoon. Niet snel boos, makkelijk in de omgang en over het algemeen heel vriendelijk. Type ongetrainde labrador. Maar mensen die mij goed kennen, weten dat er één manier is om mij binnen 0.1 seconde scheldend bovenop de kast te krijgen: begin over het inkoopbeleid van Nederlandse dameskledingzaken. Ik beloof u stoom en furie.

Het is mij serieus een groot raadsel waarom kledingzaken stoppen bij maat 42 (dat noemen ze dan XL) en soms tot 44 (XXL) gaan.

Ik snap het niet uit persoonlijk oogpunt, ik snap het al helemaal niet uit commercieel oogpunt.

Nu kan ik gelukkig online mijn hart en ziel ophalen, dus mode-technisch kom ik het leven echt wel door. Het is alleen stom dat ik bijna nergens ‘gewoon’ kan winkelen. Ja, of ik moet naar speciaalzaken. Maar dat wil ik niet, ik wil gewoon winkelen bij dat ene leuke kledingzaakje op de hoek, dat mooie warenhuis in de stad, die grote conceptstore of die hippe duurzame goeddoenners met eco-friendly jeans en biokatoenen shirts.

Nu hoorde ik laatst van styliste Edith Dohmen, dat je niet moet shoppen naar je maat (want dat is dus kansloos), maar naar je figuur. ‘Be a size hero, not a size victim’, zegt ze terecht. Er zijn altijd wel elastieken rokken, stretchy mesh topjes of desnoods mannencolbertjes die passen, aldus Edith. Vraagt om een beetje creativiteit en schijt-aan-de-wereld-mentaliteit, maar het kán.

Is zo. Heeft ze helemaal gelijk in. Ik ga door haar credo toch wat vaker reguliere winkels in, al is het alleen maar om inspiratie op te doen.

Maar toch. Punt twee.

Ik ben zelf ondernemer en als ik toch weet dat er duizenden potentiele hongerige (no pun intended) klanten smáchten naar mijn producten en daar met liefde voor willen betalen, nou mensen… kom maar door! Maar nee, ‘ons ben calvinistisch’ dus we houden ons keurig aan wat we altijd al hebben gedaan en kopen niet in voor ‘grote maten’. Hou op met me hoor.

Wat doe je eraan als eenzame consument? Ik kijk met voldoening naar influencers als @Katiesturino die met de hashtag #makemysize kledingmerken erop wijst dat zij met haar maat 46 ook heel graag bij hen wil shoppen. Maar goed, Katie heeft tientriljoen volgers, en ik zit boos op de kast te zijn in mijn uppie.

En toch had ik vandaag even het gevoel dat ik invloed had.

Het Nederlandse kledingmerk Le Marais kwam voorbij op mijn Facebook tijdlijn. Oeh, dát zijn nog eens classy jurkjes dacht ik. Ik klikte door en las over elegante, kreukvrije stoffen, zag mooie kleuren en modellen, mijn bankpas lag bij wijze van spreken al licht huiverend op tafel. Here, take all my money!

Totdat ik bij de beschikbare maten keek.

Vanaf de kast tikte ik driftig een reactie op hun tijdlijn. ‘Jammer dat jullie maar tot maat 44 gaan en deze dan ook nog eens 2XL noemen. Als Nederlands kledingmerk (zeker met jullie missie) kun je letterlijk & figuurlijk een grotere doelgroep aanspreken.’

Want Le Marais oreert op hun site over stoere vrouwen, geweldige vrouwen, topvrouwen, die werken, leven, vergaderen, borrelen, de kids erbij doen, sporten, genieten, nou ja, allemaal van die dingen doen waar Thierry Baudet van gruwelt.

En ik voelde me buitengesloten. Ik doe dat ook allemaal, ik ben ook een stoere vrouw heus, maar mag niet meespelen van Le Marais, omdat ik te dik ben. [insert hier een hoopje zelfmedelijden].

Toen kreeg ik een persoonlijk berichtje terug van Le Marais. Wat blijkt, ze gingen vorig jaar nog tot maat 46 maar die werd niet gekocht. En hun maatvoering, tja: die is nu eenmaal online universeel. Anders raken hun kopers in de war.

Okay, brom brom brom, maar fair enough.

Ik schreef terug dat ik dat best begreep. En dat vrouwen met maat 46 of meer waarschijnlijk niet eens meer kijken in het ‘gewone’ kledingwinkel assortiment, omdat ze denken dat er toch niks voor ze te halen valt.

‘Dat zou kunnen, maar het kan ook zijn dat onze modellen jurkjes simpelweg niet geschikt zijn voor een grotere maat. Wel interessant voor ons om dit eens te onderzoeken!’

Jongens, ik had een teen tussen de deur en besloot mijn gewicht er maar eens tegenaan te gooien. ‘Als jullie dat serieus willen onderzoeken, neem dan contact op met Edith.’, zei ik. ‘Ze kan jullie hierbij zeker van goed advies voorzien.’

‘Okay, ik ga het in de groep gooien. Interessant!’

En misschien was dit gewoon een keigoede webcare-medewerker (in dat geval, chapeau) maar ik daalde intens tevreden van de kast af.

Copy creëert geen verlangen

‘Het ligt aan de communicatie’. Hoe vaak ik dat wel niet hoor. Dalende verkoop, ongeïnteresseerde klanten, nauwelijks aanmeldingen, geen bezoekers, geen lezers… het ligt altijd aan de communicatie, of liever: aan de copy. En dat is een groot misverstand.

Copy creëert namelijk geen verlangen naar een product of dienst.

Het kan wel de wensen, verlangens, dromen, angsten en behoeftes die al bestaan in het hart van de klant raken en die bestaande verlangens naar een bepaald product sturen.

Daarom is het zinloos om de schuld aan communicatie te geven als het effe niet zo lekker gaat met je verkoop, of de aanmeldingen voor je event. Je kunt jezelf beter afvragen welk probleem mensen hebben en hoe jij dat gaat oplossen.

Een van de mensen in mijn workshop over hoe je je sociale initiatief of project een communicatieboost geeft, organiseerde elke maand een bijeenkomst voor ouderen in zijn wijk. Zijn idee was oprecht hartverwarmend: oudjes die koffie drinken met elkaar, beetje kletsen en ondertussen luisteren naar iemand die iets vertelde over hoe een iPad werkt of hoe je je belastingformulier invult. Hartstikke nuttig! En gezellig! All hands in the air!

Maar er kwam geen hond op af.

Het lag dus vast aan de communicatie. Hij maakte een event aan op Facebook. Hij liet een dure glossy maken die in de hele wijk werd uitgedeeld. Hij ging flyeren. Stuurde nieuwsbrieven en e-mails, maar hoe driftig hij ook communiceerde: die koffiepot kwam maar niet leeg.

‘Vertel jij mij nou maar eens wat ik nog meer moet doen’, zei hij op een licht geamuseerde toon. En hij leunde achterover met zijn armen over elkaar.

Ik stelde hem een vraag.
‘Wat gebeurt er als je deze bijeenkomst niet organiseert?’

Er volgde een frons en daarna iets wat ik al had verwacht. Hij haalde zijn schouders op. ‘Nou… niks. Life goes on.’

Het ligt niet aan de communicatie of aan de copy.

Als het aanbod de bestaande verlangens niet aanspreekt, dan kun je een complete communicatiemarketingmix op je doelgroep smijten, maar wat je krijgt is dit: onverschilligheid.

Het is mijn vak om mensen te verleiden in actie te komen. Daarvoor onderzoek ik alle belangrijke eigenschappen van het product of de dienst die ik wil verkopen. Ik onderzoek de ‘pijn’ van mijn doelgroep en zoek naar de juiste woorden om hun problemen te omschrijven. En als ik zeker weet dat ik de allerbeste oplossing bied, dán pas komt communicatie om de hoek kijken.

De man van de koffiebijeenkomst bleef even stil. ‘Misschien moet ik gaan twitteren’, zei hij.

Ik haalde mijn schouders op.

The Young Ones

‘De enige mislukking die ik kan bedenken, is dat ik eigenlijk nog nooit een mislukking heb meegemaakt.’ Hij kijkt me met grote blauwe ogen aan. ‘Waarom vind je dat een mislukking?’, vraag ik terwijl ik het antwoord al weet. ‘Omdat ik sowieso nooit risico’s neem’, zegt hij met een lichte zucht.

Ik geef een presentatie aan internationale studenten die in Nederland (af)studeren. Het gaat over pitchen, een onderwerp waarover ik normaal gesproken praat met thirtysomething sociale ondernemers, fondsenwervers of verveelde marketeers. Daarom heb ik mijn verhaal uitgebreid met een stuk wat vóór het pitchen komt: weten wat je wilt. Ik ging maar even uit van mijn eigen 20-jarige ik, die als een losgeslagen schip met groot enthousiasme van de ene ijsberg naar de andere denderde.

Dit in tegenstelling tot de groep keurig geklede, beleefd luisterende jongelingen in het Utrechtse Centraal Museum.

Het was me al eerder opgevallen: deze young ones durven haast geen fouten meer te maken. Het leven is één rechte lijn naar studie, carrière, beetje instaproof reizen, liefde vinden, trouwen (optioneel), kinderen krijgen, hop pensioen, en oh damn, the end. Er lijkt weinig ruimte te zijn voor andere keuzes, onbekende wegen, jammerlijk mooie mislukkingen of simpelweg het volgen van het hart, hoe onberekenbaar en idioot het ook is.

Ik voel me net Yoda, of minstens zo oud in ieder geval, als ik mijn stem door de microfoon hoor: ‘Falen is een vaardigheid die je moet oefenen. Want als je een paar keer flink onderuit gaat en weer opstaat, durf je makkelijker nieuwe dingen aan te gaan. Omdat je weet dat het toch wel goed komt.’ Ik kan me niet voorstellen dat ze deze open deur nog niet eerder hebben gehoord, maar het is doodstil in de zaal op het driftige gekras in hun notitieblokjes na.

In de pauze voel ik een bescheiden tikje op mijn schouder. Ze is tenger, Frans, heeft een grote bril op en golvende lange lokken waarover tegenwoordig alle twintigers lijken te beschikken (wat is dat trouwens: is het water anders, de shampoo beter? Ik moet dat nog eens uitzoeken).

‘Mag ik je wat vertellen?’, vraagt ze. Natuurlijk mag dat. ‘Wat je zei over falen en al doende je passie ontdekken, zette me aan het denken. Ik zit in mijn derde jaar business management, maar ik vind het helemaal niet leuk.’ Achter de hippe bril doemt ineens een hulpeloze blik op. ‘Tijdens die oefening waarin we moesten vertellen aan elkaar wat je nou echt leuk vindt, had ik het alleen maar over kunst en dieren en… en… nou weet ik het allemaal niet meer… Straks ben ik veertig en heb ik alleen maar achter een bureau gezeten, stomme rapporten schrijvend.’

Ai.

Het was niet mijn bedoeling om een existentiële crisis teweeg te brengen bij deze brave studenten. Lekker bezig Lokker.

Ik weersta de neiging om een arm om haar heen te slaan en zeg: ‘Verwarring over wat je wilt is heel normaal joh. En je hebt nog zoveel tijd om te ontdekken wat dat dan is. Dus als je kunst leuk vindt, kijk dan eens of je stage kan lopen bij een museum, of misschien ken je iemand met een culturele of kunstzinnige achtergrond met wie je een kop koffie kunt gaan drinken. Oh, en wat ook kan: vrijwilliger worden bij het dierenasiel.’

Er verschijnt een klein rimpeltje in haar voorhoofd. ‘Ja. Ja… dat… daar heb ik eigenlijk nog nooit aan gedacht.’ En dan komt ineens de zon door. ‘Een vriend van mijn vader is curator in een museum!’ ‘Nou, tadaa’, zeg ik. ‘Op ontdekking!’

Of zoals Vyvyan het ooit zo eloquent zei: ‘This calls for a delicate blend of psychology and extreme violence.’