Mama knows best

Als we de metro nemen vanaf Gare du Nord naar metrostation Alexandre Dumas zijn onze verwachtingen hoog gespannen. Langs rommelige winkeltjes en gezellige eethuisjes lopen we naar het hotel. ‘Deze wijk is helemaal in opkomst’, oreer ik wijs tegen Mike. Bij het uitblijven van zijn reactie, draai ik me om en zie ik dat hij tien meter terug met zijn neus tegen de ruit van een traiteur aangeplakt zit.

Via vriendin F. kreeg ik de tip om in Parijs het hotel Mama Shelter eens te proberen. Collega M. sluit aan bij haar enthousiaste aanbeveling. ‘Superhotel. Ontworpen door Philippe Starck. Ik ben er al een stuk of tien keer geweest!’ Kijk, dat zijn nog eens recensies.

Iets verderop, naast een mysterieuze verzonken ongebruikte spoorlijn, zien we Mama Shelter liggen. Eenmaal binnen kijken we verbaasd rond. Het plafond is geïllustreerd met teksten, tekeningen en kronkelende lijnen. In vitrinekasten staan maskers, merchandise en er bovenop loeren opgezette adelaars. Dit is bepaald geen doorsnee Parijse toeristenfuik. De receptionisten zijn alleraardigst en binnen enkele minuten zoeven we met de lift naar onze etage.

De inrichting van het hotel is strak design, maar de kleurrijke en speelse teksten die overal staan, maken het energiek en warm. En als ik zeg overal, dan bedoel ik ook óveral: op het plafond, de vloerbedekking, de spiegels en de muren. Onze kamer is slim ingedeeld met leuke details. En er staat een glimmende iMac voor video on demand, internet en andere zaken, waar Mike met een gelukzalige grijns op af duikt. Daar heb ik geen kind meer aan.

Ik neem een kijkje in de badkamer. Die is ruim, voorzien van regendouche en de föhn matcht met mijn knalroze nagellak. Er staan flesjes Kiehl’s en de tulp voor de spiegel blijkt echt te zijn.

We besluiten in het restaurant van het hotel te eten. Het is er druk, gezellig, er draait een dj en de sfeer is ongedwongen en relaxed. Laissez-faire! Oh, en de menukaart staat ook nog eens vol met heerlijk eten. Het is hier leuk.

Na het diner lopen we het hotel uit om de omgeving te verkennen. Een stevige uitsmijter staat voor de deur. Niet de eetbare versie, maar een streng kijkende kleerkast, die de deur voor ons openhoudt. ‘Hij bijt niet’, grinnikt Mike terwijl hij mij behoedzaam naar buiten loodst .

Mama Shelter ligt in de wijk Gambetta. De plek van ‘les bobos’, de voornamelijk jonge bewoners die zichzelf zien als een geëvolueerde mix tussen bourgeois en bohemien. Deze wijk ligt in het noordoosten van Parijs. Een Quartier in opkomst, waar je in bijna elk café naar live jazzy muziek kunt luisteren. De stoelen zijn misschien wat doorgezakt en het bier is plat, maar het is er oergezellig.

Knus in een hoekje van een klein café vatten we met elkaar samen wat Mama Shelter zo bijzonder maakt. Het is niet alleen het restaurant, met de felgekleurde zwembanden als decoratie. Of de pizza’s, gemaakt in de pizzeria van het hotel, die je mee naar je kamer kunt nemen. Het is vooral de aandacht die is besteed aan de details. Zoals de televisie, gemonteerd in het plafond van de wc.

We besluiten dat Mama Shelter haar reputatie eer aan doet. Als we weer bij het hotel aankomen, doet de uitsmijter de deur voor ons open. Dit keer glimlacht hij breed.

Come to mama.

Tip un: Mama Shelter heeft een schappelijke prijs als je online boekt. Wij zaten er al voor € 79,- per nacht. Ontbijt kost € 15,- extra, en is een aanrader als je je ochtenden lekker rustig wilt beginnen met een krantje en lekkere broodjes.

Tip deux: Het hotel ligt niet direct naast de metro, zoals de meeste hotels in Parijs. Als je uitstapt bij Alexandre Dumas, ga je rechtsaf Rue de Bagnolet in. Mama Shelter is dan nog ongeveer 10 minuten lopen. Ga je met de auto, dan is de ligging perfect.

Troisième Tip: Mocht je net als ons geen idee hebben waarom iedere kamer is voorzien van twee plastic superheldmaskers aan weerszijden van het bed. Kijk dan voor de grap eens op de in je kamer aanwezige iMac, voorzien van webcam, en er gaat een wereld voor je open. Croyez-moi.


Mama Shelter
Rue de Bagnolet 109, Parijs
www.mamashelter.com

Onze cijfers:
Kamer: 8,5
Ligging: 8
Wauw-factor: 10
Eten: 8,9
Prijs: 8,5

De receptie van hotel Mama Shelter, Parijs.De entree…

Krijttekst in hotel Mama Shelter, ParijsTeksten, overal…

Föhn in hotel Mama ShelterDe föhn matcht met mijn nagellak!

Onze kamer, hotel Mama Shelter, ParijsPlace to be…

De pizzeria van hotel Mama Shelter, ParijsDe pizzeria. Pizza’s mogen mee naar de kamer!

Keuken van hotel Mama Shelter, ParijsBedrijvigheid in de open keuken…

Het restaurant van Mama Shelter, Parijs (klik voor grote versie)Het restaurant: klik voor een grote versie!

Zwembanden als decoratie, Mama Shelter ParijsZwembanden als decoratie. Je moet er maar op komen.

Photobooth, hotel Mama Shelter, ParijsJa, dat zie je goed…

 

Een bed is een bed

Drie keer in één jaar naar Parijs. Het is misschien wat over the top. Aan de andere kant ben ik niet op zomervakantie geweest, dus vooruit. Ja, een vrouwenbrein breit dat gewoon recht. En daarom sprong ik weer blij de Thalys uit, omarmd door mijn favoriete stad. Dit keer in het fijne gezelschap van vriendin F. die Parijs ook goed kent. So long Eifel Tower, hello shops.

F. had het hotel geregeld, haar aangeraden door weer een andere vriendin. Spotgoedkoop. Leuke wijk. Oh ja… de tweede nacht liggen we wel op een kamer zonder wc en douche. In mij greep de Prinses op de Erwt naar de zuurstoftank. Geen wc? Geen douche? Mon dieu. De belofte dat we van het uitgespaarde geld overdadig uit eten gaan, haalt me mokkend over de streep. Vooruit dan maar.

Het hotelletje ligt verstopt tussen een paar kleurige gevels in een autoluwe straat met op elke hoek een gezellig terras. Achter de eenvoudige receptie zit een vriendelijk ogende man met een klein brilletje schuin op z’n neus. Driftig bladert hij door een groot boek, terwijl wij de naam waarop we hebben gereserveerd drie keer herhalen. Dan kijkt hij verheugd en tikt met zijn vinger op wat gemarkeerd gekrabbel. We zijn gevonden.

Oui. De eerste avond hebben we een kamer met wc en douche.
Oui. De tweede avond verhuizen we naar de kamer zonder sanitair.
Non. Er staan geen twee aparte bedden in de kamer, zoals we hadden gevraagd.

Na een benauwde blik van mijn kant, zegt hij monter en met een weids gebaar: ‘Aaaah, c’est un grande lit madame. C’est n’est pas un problem’. De Prinses op de Erwt veinst een appelflauwte.

Onze kamer is klein. Heeft bloemetjesbehang. Hysterisch gestreepte vloerbedekking. E√©n rood stoeltje. En één bed, in de categorie serieuze twijfelaar.

We kijken elkaar aan. ‘Ik ga naar die man toe. C’est un problem, echt wel, mompelt F. Als ze tien minuten later weer op de deur klopt, houdt ze grijnzend een aerobed in haar handen. ‘Ik ga er wel op liggen’, zegt ze toegeeflijk als ze mijn licht verbijsterde gezicht ziet. Het luchtbed blaast zichzelf op en past nog nèt in de kamer. Alleen kan dan de deur niet meer open.

De volgende avond verhuizen we naar de kamer ernaast, zonder douche en toilet. In dat pijpenlaatje kunnen we alleen achter elkaar slapen en lopen we als krabbetjes langs de muur om bij onze tassen te komen. De wc is twee deuren verderop, de douche drie verdiepingen lager. Maar ach, beaamt zelfs de prinses in mij, we hebben van het uitgespaarde geld overdadig lekker gegeten.

Slapen in Parijs is geven en nemen.

Gelukkig konden we het luchtbed makkelijk op de twijfelaar tillen. ‘Pak uw bed op en wandel’…

En dan nog even dit. Het hotel is spic & span schoon, ook de gedeelde douche en toilet, spotgoedkoop, charmant en ligt in de leukste wijk die ik tot nu toe heb ontdekt in Parijs. Meer info? Mail me! Zo’n pareltje geef je niet zo maar weg ;-)

Leven met de wind in de rug

Eten en shoppen. Daaruit zou ons weekend Parijs bestaan. Het hippe Marokkaanse restaurantje 404 zit maar twee straten van het hotel vandaan, google ik. We lopen door het gezellige Quartier Montorgueil met z’n volle terrasjes. In Nederland zit iedereen al binnen, hier gaat half september het buitenleven nog even door.

De ingang van het restaurant zie je gemakkelijk over het hoofd, zodat we bijna party crashen bij een très chique gelegenheid. De beveiliger maant ons een deur verderop. Daar worden we hartelijk welkom geheten. Het eten is verrukkelijk, de bediening uiterst aardig en we krijgen muntthee op z’n Marokkaans van het huis.

Na een verrassend nachtje prima slapen, ontbijten we bij Le Pain Quotidien. Voor nog geen tien euro bestellen we een petit dejeuner, inclusief soepkom cappuccino. Onze verlanglijstjes voor vandaag stemmen aardig overeen. Als eerste staat een bezoek aan woonwinkel Merci op ‘t plan.

Merci is zo’n winkel waar je niets koopt maar alles wilt hebben. Daarom fotograferen we ons helemaal suf, totdat een van de winkeljuffen ons sommeert te stoppen. Enigzins beschaamd kopen we dan maar een paar notitieblokjes. En maken snel nog een fotootje.

We wandelen de Boulevard Marchais af, terug richting de Marais. Via Places de Vosges komen we uit bij Dephine Pariente in Rue de Birague. Ik heb daar vorige keer een ketting zien hangen die ik niet uit m’n hoofd kan zetten. De tekst op het sierraad (l’important c’est d’aimer) had ik zelfs overgeschreven en opgehangen thuis. Reden genoeg om ‘m nu maar gewoon te kopen. De eigenaresse glimlacht om mijn verhaal. Als ik nog een keer naar Parijs kom – ik knik heftig van ja – kan ze op de achterkant nog een tekst graveren. Ik huppel de winkel uit, blij als een kind met mijn schat.

Merce and the Muse aan de Rue Dupuis is onze lunchstop. Alsof we zó een mode-magazine instappen. Alles is mooi. De stoeltjes, de hemelblauwe muur, het bestek in de glazen, de mensen achter de balie, de twee ëberhippe meisjes die – volgens de laatste trend – zitten te breien. Zelfs de vaalgroene oldtimer buiten lijkt perfect gestyled te zijn bij de turquoise deur aan de overkant. In gepaste stilte eten we onze salade, terwijl we ondertussen gretig om ons heen kijken.

Na de lunch pakken we de metro naar de andere kant van de Seine. La rive gauche. Ik kom er niet zo vaak. Het is het Parijs van de brede boulevards en beroemde schrijverscafés. Aan Rue de Cherche-Midi zitten een paar leuke winkels met werk van jonge ontwerpers. We snuffelen er lustig op los.

Een weekend Parijs is zo voorbij. Op zondag gaan we nog even naar Musée d’Orsay. Het voormalige treinstation is bijna net zo indrukwekkend als de werken van Monet, Manet en Van Gogh die er hangen. Voor de lunch halen een baquette bij een kiosk in de Tuilerieën en vinden er twee stoelen waar we ons zuchtend in laten zakken.

En terwijl we nog een uurtje of wat verwijderd zijn van de trein terug naar Amsterdam, kijk ik genietend om me heen. Het blijft me verwonderen, dat nonchalante gemak waarmee Parijzenaren zich voortbewegen. Ze lezen rustig een krantje in de zon, flaneren met hun geliefde door het park, drinken koffie op een terrasje. Alsof ze altijd de wind in de rug hebben.

Dat geheim wil ik ontrafelen. À bientôt dus, Parijs. Tot de volgende keer.

Lekker eten bij Restaurant 404…

Rue Montorgueil. Gezellig, knus en vooral heel erg ‘Parijs’…

Ik ben geen fruiteter, maar zoals het hier ligt uitgestald…

Soepkommen koffie en heerlijk rustig ontbijten bij Le Pain Quitidien…

Het rode rugzakje van Merci…

Die stoel! Die poef! Die… alles! Alles wil ik hebben!

Voor ‘slechts’ 5500 euro is deze stoel van mij… argh!

Prachtige winkel om rond te dwalen en rond te kijken…

Hij hangt er nog! Ik gris ‘m nog net niet weg. De kettingen zijn handgemaakt en van elk is er maar één.

Hip lunchen bij Merce and the Muse… alleen breien wij niet.

Deze taart was marketing. Bijna iedereen bleef even likkebaardend staan. Eén stuk eruit gesneden, rozenblaadjes op de deksel. Wij tuinden erin.

Daarboven een appartementje voor een half jaar of zo en dan elke dag de stad in, op onderzoek. Foto’s maken, schrijven, meeluisteren, kijken en genieten. Ik droom nog even door.

De kromme benen van Montmartre

Het is bloedheet als Reisgenoot en ik vanaf Gare du Nord naar de Montmartre wandelen. Vanuit onze hotelkamer zie je de Sacré-Coeur liggen, dus als we hier rechtdoor en daar naar rechts gaan, zijn we er vast binnen een kwartiertje. Enig optimisme is ons niet vreemd.

Ondanks de hitte is het een mooie wandeling. Via Boulevard Magenta met al z’n goedkope herenkledingzaken (je vindt er al een kostuum voor nog geen 50 euro) steken we de Boulevard de la Chappele over. De kronkelende straatjes heuvelen op en neer. Kleine buurtwinkels, volgepropt met speelgoedartikelen, fruit of boeken, wisselen de schuine huizen met Franse balkonnetjes af.

Een vrouwtje met kromme benen loopt voor ons. Ze waggelt gestaag de heuvel op, gewapend met stokbrood en een plastic tas vol fruit. ‘Die oudjes hier moeten flinke beenspieren hebben’, mompelt Reisgenoot bewonderend.

Op¬†Place St.¬†Pierre¬†blijven we even staan. Het is zo’n typisch Parijs pleintje: links een bistro met buiten een rommelige opstelling van gekleurde stoeltjes en rechts een patisserie waar je macarons kunt kopen.

Recht voor ons rijst een lange trap op. Oeuf.

¬†Als we zwaar hijgend boven de trap aankomen, worden we ingehaald door het oude vrouwtje dat monter doorstapt. ‘Dat doet ze express’,¬†sist Reisgenoot, ‘elke dag vernedert ze toeristen, al sinds de Duitsers.’

De Sacré-Coeur torent majestueus boven ons uit. Het wemelt er van de mensen, die al net zo zweterig zijn als wij. We zoeken snel de schaduw op en genieten in stilte van het uitzicht over de stad. Eigenlijk hebben we hier niets te zoeken. Sterker nog, als ervaren Parijsbezoekers zouden we deze toeristische mierenhoop eigenlijk moeten mijden.

‘Als we hier nu toch zijn, kunnen we net zo goed even naar Place du T√™tre gaan’, opper ik. ‘Welja, waarom ook niet’, grinnikt Reisgenoot, ‘daar krioelen zo mogelijk n√≥g meer toeristen’. We pakken een terrasje en bespreken al snel de marketingtechnieken van rondlopende tekenaars.

Ons oog valt op¬†een meisje van een jaar of twintig. Kunstacademie studente, gokken we. Met een grote zonnebril en zuinig mondje loopt ze rond. Terwijl haar oudere concullega’s de ene na de andere toerist¬†overtuigen lukt het haar maar niet om iemand te strikken. Na de lunch zijn we eruit: ze lacht niet, ze¬†geeft te snel op¬†en ze pakt de verkeerde doelgroep. Tijdens het dessert¬†overwegen we haar¬†even apart te nemen en de principes van marketing uit te leggen. ¬†

We hervatten onze queste, laten de drukte achter ons en slenteren langs de wijngaard aan Rue St. Vincent. De wijk onderhoudt zelf dit stukje groen en elk jaar in oktober is het oogstfeest waarvan de opbrengst naar een goed doel gaat. Trosjes druiven hangen verwachtingsvol aan de ranken. Ondertussen vertel ik Reisgenoot het verhaal van Lapin Agile, dat onderaan de wijngaard ligt.

Via een paar straatjes komen we uit op een mij onbekend maar prachtig stuk Montmartre: Rue Calaincourt. Een aanrader. De brede laan heeft aan beide kanten grote bomen die een koele schaduw geven.De winkels zijn klein en gezellig, de terrasjes zien er aangenaam uit en er hangt een rustige en ontspannen sfeer. Ik besluit hier nog eens terug te komen.

Op Boulevard de Clichy knorren de magen en landen we op het terras van een Libanees restaurantje. Kiezen uit al het lekkers is moeilijk, maar tien minuten later happen we in een overheerlijke wrap met kip, groenten, kruiden en saus.

Uiteindelijk verlaten we de wijk via de brug over de Cimetiére Montmartre. Onze conclusie: soms loont het de moeite om iets bekends te herontdekken. En onderschat vrouwtjes met kromme benen niet.

Het is een klim, zeker zonder kromme benen.

Even uithijgen met het uitzicht over de stad.

Ja, ‘t is kitcherig. Maar op vakantie mag je dat leuk vinden.

De wijngaard van Montmartre. De druiven wachten op nog meer zon.

Muurkunst. Je ziet ze overal in de stad.

Rue Calaincourt. Een aanrader!

Via een drukke brug loop je over de begraafplaats heen.

Libanees eten. Jum!

Diamonds and pizza

Aangezien een hotelkamer voor ‘n paar dagen je huis is, vind ik altijd spannend om voor ‘t eerst de deur open te doen. Is de kamer groot, klein, smoezelig of netjes? En wat is het uitzicht? Nu was ik al eerder in hotel Terminus Nord geweest, dus ik had voorkennis. Met dat uitzicht zit ‘t wel snor.

Het is alleen wat raar als je een hotelkamer in komt waar het bewijsmateriaal van de vorige bewoner nog ligt. Een onopgemaakt bed, een zakje met opgekloven appels, halve broodjes en overal vieze handdoeken. ‘H√® bah’, verzuchten we.

Gelukkig is de service in het hotel perfect. Er komt direct iemand van ‘housekeeping’ om onze kamer te kuisen. Daarom besluiten we maar op pad te gaan.

De wijk rondom Gare du Nord leek me niet heel spannend. Een typische stationsbuurt, druk en rommelig. Reisgenoot houdt gelukkig ook van wandelen en we zitten al snel op Rue La Fayette, een chique straat met bijpassende winkels en natuurlijk de beroemde Galeries Lafayette.

Die zijn nog open, zodat we ons kunnen¬†vergapen aan de diamanten van De Beers. Kettingen van 10.000 euro, een iPod vol glimmers van 15.000 euro en een oogstrelend collier van maar liefst 115.000 euro… Ik hang als een ekster boven de vitrines en¬† snap ineens waarom Marilyn zong over de beste vriendjes van een meisje.

We eten op¬†een ruim terras, tussen de indrukwekkend geklede Parijse zakenlui, een¬†pizza. Iedereen lijkt hier strak in het pak te zijn. Vooral de slick broeken en zwarte hoornen brillen¬†zijn populair bij de heren. ‘Komt vast¬†door de serie Mad Men’, weet mijn reisgezelschap te vertellen. ‘Speedo’s¬†komen ook weer in.’

Terug wandelend, lopen we door Rue Cadet. Een autovrije straat met knusse terrassen, eetwinkels en fruitstalletjes. Ik noteer de straat in mijn notitieboekje en zet erbij: ‘nog eens¬†bekijken¬†als de winkels √≥pen zijn.’

Bijna bij het hotel, zien we een mooie kerk.¬†’Dat is volgens mij de oudste kerk van Parijs!’, roep ik wijs. ‘Wel¬†1000 jaar oud!’¬†Maar het¬†blijkt de¬†Eglise Saint Vincent de Paul, gebouwd in 1824 op het land van de heilige Lazerus. ‘Ik vond ook dat het er heel oud uitzag’, troost Reisgenoot. ‘En je zit er maar 800 jaar naast, kan iedereen gebeuren.’

Nog maar een paar uur¬†uit de trein¬†en al zoveel gezien. Een vieze hotelkamer heeft zo z’n voordelen. Zeker als we voor het ‘ongemak’ een dag gratis wifi krijgen. Kon ik tenminste op mijn gemak googlen welke kerk dan w√©l¬†de oudste is: St. Germain des Pr√©s!

Aan de Grande Boulevards, zoals La Fayette, Hausman en Des Italiens vind je prachtige winkels.

De iPhone camera kon het¬†maar nauwelijks aan, al die glimmers…

Rue Cadet is klein en gezellig. We waren wat later, dus helaas waren alle winkels al dicht.

Niet de oudste kerk van Parijs, het is zelfs geen plekje waard in mijn Capitool reisgids, maar toch vond ik ‘m mooi: Eglise Saint Vincent de Paul.

A room with a view

Ik rol met mijn koffertje over de keien en blijf¬†even stil staan. Als een oude vriend omhelst Parijs me. ‘Daar ben je weer.’ Ja, daar ben ik weer.

Dit keer ben ik er niet alleen, maar met een groepje van drie vrienden. De twee sportiefste gaan de marathon van Parijs lopen. En door die kwalificatie kun je mij meteen wegstrepen. Samen met B. ga ik aanmoedigen. Dat kunnen we namelijk heel goed.

We logeren tegenover Gare du Nord. Kan nooit¬†wat zijn, dacht ik. Een hotel vlakbij een station in een grote stad? Ha. Da’s vragen om problemen. Ik zag mezelf al¬†weggestopt in een¬†smoezelig hokje, medelijdend aangestaard door mijn reisgenoten.¬†Maar wat blijkt, het Mercure hotel is bijzonder vriendelijk voor eenlingen. Dat ik de enige ben met een bad op de kamer zorgt zelfs voor jaloerse blikken. En als ik de Sacre Coeur zie terwijl ik de¬†grote ramen open doe, begin ik te spinnen als een tevreden kat. Got me¬†a room with a view.

A room with a view

Want zeg nou eerlijk: als dit je uitzicht is, z√≥nder te zoomen… dan ben je toch¬†een gelukkige hotelbewoner?

SDC10286

Er lag een geheimzinnig envelopje tegen mijn kussen. ‘Message personel’, stond erop. Genoeg om mijn fantasie overuren te laten draaien. Maar ik werd gewoon braaf welkom geheten in het hotel. En als ik wat op te merken had, kon ik het op bijgevoegd formuliertje schrijven. Hmm… Verwachtingsmanagement, mensen.

Parallel Parijs

De zon schijnt uitbundig. Ook in Parijs zit iedereen als ‘n zonnebloem met z’n gezicht glimlachend¬†naar de zon gekeerd. Wel met een hippe grote zwarte zonnebril op de bleke¬†neusjes¬†natuurlijk. Ik nestel me op een bankje en geniet van de mensen die voorbij komen.

Toeristen pik je er zo uit. Met bungelende camera’s, plattegrond in de knuisten, lopen ze met¬†onzekere tred¬†door de stad. Parijzenaren dansen er als een schaduw langs, met een minzame blik richting de zoveelste bezoeker die plots stil blijft staan.

Maar als je goed kijkt, zie je een parallel Parijs.  Moeilijk vast te leggen voor de camera. Je hebt er geduld voor nodig (plus een veel betere camera dan mijn huidige instant automatisch klikdingetje) en wat mazzel. En dan tilt Parijs soms een tipje van haar sluier op. Oh, wat is ze mooi.

Duifjes, duifjes...

Elke dag loopt ze van St. Gervais naar het grote binnenplein van het Louvre. En alsof de hele wereld alleen bestaat uit haar en de duiven, haalt ze het plastic zakje met broodkruimeltjes uit haar zak. Niemand ziet dat haar wangen rood kleuren van plezier als het kleinste duifje voorzichtig uit haar hand eet.

Groot en klein

‘Ik hou van je’, zegt ze tegen hem. ‘Hoeveel?’, vraagt hij. Ze kijkt even snel om zich heen. ‘Zoveel als het lengteverschil tussen die twee daar’, grinnikt ze.

Jazz in Paris

Over een paar weken speelt hij tijdens het Musiques et Jardines Festival. Hij denkt aan vorig jaar. Toen stond ze nog vooraan. Haar grijze hoofd deinde mee met elke melodie. Hij mist haar.

tourist girls

Ze was me niet eens opgevallen. Totdat ze bij haar vriendinnen ging staan. Toen trokken ze even de aandacht van Parijs.

grijs is wijs

‘Maar Isabelle… waarom vertel je me dit nu pas?’

in de metro

Ze merkt niets van de drukte om haar heen, de warmte, het gelach van de studenten achter haar, de deuren die open dicht sissen. Pas als ze bijna omver wordt geduwd door een man die nog net op tijd naar binnen springt, kijkt ze op. Merde, station gemist.

girls

‘Echt, het is helemaal in.’ ‘Nou, ik vind het geen gezicht, zo’n kort broekje met een panty eronder.’ ‘Hou jij toch lekker je spijkerbroek aan.’

Les Puces de Paris

De Parijse etalage¬†is¬†niet zo maar ‘n etalage, het is een stilleven. Als Parijzenaren ergens goed in zijn, behalve het uitspreken van l’amour met ‘n diep timbre en √©√©n opgetrokken wenkbrauw¬†, dan is het wel etaleren. Of het nou een groentewinkel is of een kledingzaak: ze maken er wat van. Met als gevolg: mijn intens verliefde blik en vervolgens een schreeuwend bankpasje.

Ik besluit dit keer eens wat meer buiten de gebaande paden te gaan en Les Puces de Paris op te zoeken. Deze vermaarde vlooienmarkt ligt in St.Ouen, een ritje dat mij voor ‘t eerst buiten het centrum brengt. Aan het eind van de metro Porte de Clignancourt zitten er tot mijn tevredenheid¬†geen toeristen meer in de metro. En eenmaal boven de grond, kijk ik genietend naar¬†een rauwer Parijs. Hier geen historische gebouwen of gezellige cr√™pesbakkertjes, maar grijze appartementen, smoezelige snackbars en heel veel auto’s die zich allemaal luid toeterend¬†de ring op persen.

Af en toe check ik snel de kaart op mijn iPhone of ik de juiste kant nog op loop. Tjonge, wat is dat ding handig. Niks geen gepruts meer met een verfrommelde kaart waardoor er nog net geen knipperende rode pijl boven je hoofd stuitert met: Touriste ici! erboven.

De ingang van Les Puces is even zoeken, maar eenmaal daar waan ik me een andere wereld. Weg is het verkeer en de groezeligheid. Ik sta middenin een labyrint van winkeltjes. Of liever, uitgebreide etalages – de Big Spender in mij¬†flikflakt¬†er al juichend vandoor¬†-¬†waar elke eigenaar z’n waar kunstig en vooral enorm¬†fotogeniek heeft uitgestald. Ik dwaal rond langs prachtige antieke meubeltjes, stoffen, tekeningen, schilderijen, rommeltjes en sieraden.

Ergens in een hoekje vind ik een piepklein restaurantje, blozend opgetuigd als een dame van lichte zeden. Er hangen slingers aan het plafond, de stoelen zijn van rode pluche en er branden ontelbaar gekleurde lichtjes. Ik zit me net te verkneukelen over mijn unieke vondst, als ik een artikel uit de Volkskrant voor het raam zie hangen. Hmpf. Daar gaat mijn Indiana Jones gevoel.

Als ik even later met mijn neus boven een vitrine hang met lieftallige armbandjes, schrik ik op van een stem. ‘Que puis-je faire pour tous?’ De eigenaresse zit diep verscholen tussen haar spulletjes en kijkt me vriendelijk aan. Ik stamel in mijn hulpeloze Frans dat ik graag een armbandje wil passen. Ze komt moeizaam overeind en frommelt met een sleuteltje aan de vitrine.

‘Thies ies a bjoetiful one’, zegt ze, terwijl ze me het sieraad geeft. Ik vraag haar hoelang ze dit winkeltje al heeft. Het blijkt dat veel van de stalletjes familiebezit zijn. Die van haar is door haar vader opgezet, net na de Tweede Wereldoorlog. ‘Thies is ‘iem’, zegt ze trots en wijst naar een foto van een¬†streng kijkende meneer met snor. ‘He looks very ehm… nice’, mompel ik onbeholpen.

Dat ik alleen met een armbandje de markt verlaat, mag gerust een wonder heten. Het is dat ik met de trein terug naar Amsterdam moet, want anders had ik absoluut een kleine camion nodig gehad. 

Een vader loopt met zijn studentendochter keurend langs een prachtige lange teakhouten tafel met knoesten en verweerde poten. Ze knikken naar elkaar. Na wat handjeklap met de verkoper zie ik dat vader de man 20 euro geeft. Stikjaloers stap ik weer in de metro. Met een opgelucht bankpasje en een belevenis rijker.

Les Puces kraam
Ronddwalen, dolen, snuffelen en kijken: alles lijkt de moeite waard te zijn van een blik, aai of klik van de camera.

Les Puces detail kraam
Ik tuur minutenlang naar de kraampjes. Zo veel details die je nooit kunt vastleggen op een foto. En ik blijf me maar afvragen wat de geschiedenis is van het rode rokje.

Les Puces kleedpop

Ik zie deze kleedpop al helemaal¬†in mijn slaapkamer staan. Dan zie ik mezelf worstelen in de metro met de pop onder mijn arm.¬†’Excuses-moi, excuses-moi’. Toink. Beng. Pop tussen de deuren van de¬†metro. Hmm. Niet zo handig. Merde.

Les Puces rode stoelen

De rode stoelen, de groene vazen… het is een praktisch kant en klaar plaatje voor de VT Wonen. Vind ik dan.

Les puces bakjes

Twee muren vol met bakjes waarin van alles te vinden is. Speldjes, broches, poppetjes, kraaltjes, frutsels. De  ekster in mij wordt er gans orgastisch van.

Chez Louisiette

Alsof je in een Marokkaanse Souk dwaalt. Rechts achter: Chez Louisiette. Ze heeft de Volkskrant gehaald.

Groentewinkel

En om nog maar even mijn punt te illustreren van de Parijse verheven kunst der etaleren: een simpel groentewinkeltje in een drukke straat.

Run, Forrest… Run!

Waarom zou je in godsnaam 42,5 kilometer rennen zonder dat je achterna gezeten wordt door monsters, criminelen of een belastinginspecteur? Ik snap er niks van. De twee sportievelingen in ons gezelschap geven eerlijk toe dat ze dezelfde gedachten hebben. Ergens tussen de 30 en 40 kilometer.

Wat ik w√©l begrijp is het marathondieet. Pasta, cr√™pes, ijs, baquettes, chocomelk en dan nog meer pasta. Stapelen noemen ze dat. Oh yeah baby, I get that. Eigenlijk prepareer ik mezelf al zo’n tien jaar voor een marathon. Maar dat terzijde.

Zondag is het zo ver. Ze starten vanaf de Champs-√âlys√©es en rennen in een lange sliert een route door de stad. Ik sta samen met B. bij Hotel de Ville. We speuren de deinende massa af voor een donkergroen petje en een rood t-shirt. Naast ons vouwen twee mannen een spandoek open. ‘Rudy, Yes you can!‘, staat erop. Als er ‘n man met ‘n blonde paardenstaart voorbij komt, schreeuwen ze hem op z’n Schwarzeneggers toe: Roedie! Jes joe khan! Rudy steekt zijn vuist in de lucht. Hij kan ‘t.

Dan zien we ineens A. Zijn grijns gaat van oor tot oor als hij ons ziet staan en we hem luid juichend aanmoedigen. Een paar minuten later komt S. voorbij. Trots lacht hij ons toe. ‘Eitje’, zegt hij in het voorbijgaan.

B. en ik maken een dollemansrit door de stad om op verschillende punten de mannen te kunnen toejuichen. We zien Darth Vader voorbij rennen, verschillende clowns (huuuh, eng), een ober – met dienblad, een gorilla en tientallen pruiken, tutu’s en zuurstofmaskers.

De finish is op z’n Frans georganiseerd. Complete chaos. Duizenden lopers en publiek dwarrelen door elkaar heen, naarstig op zoek naar hun geliefden, familie, vrienden of collega’s. Mijn autistische ik wordt er helemaal¬†chagrijnig van en ik¬†besluit op een heuveltje te gaan zitten voordat ik om me heen begin te slaan. B. stort zich dapper in de heksenketel, op zoek naar A. en S.

De twee mannen finishen op ruim tien minuten afstand van elkaar. Ze zijn trots, lachen en slaan elkaar op de schouders. En ze st√°√°n gewoon nog. Ik ben diep onder de indruk. Hoe doe je dat, hoe krijg je je lijf zo ver – of misschien liever je geest -, om zo’n prestatie te leveren? Ze proberen het uit te leggen, maar zien aan mijn verbijsterde gezicht dat ik het niet begrijp.

‘Dit is ook echt de laatste marathon die ik heb gelopen hoor’, zegt A. tegen me. ‘Dat zegt hij elke keer’, lacht B. ‘En vanavond hoeven we gelukkig geen pasta meer te eten‘, zegt ze er opgelucht achteraan. Ik pruil. Wat mij betreft had d√°t aspect van de marathon nog wel even mogen duren.

hotel de ville

Een lange sliert lopers die samen deinen als een geheel. Indrukwekkend.

seine

De route is mooi, het weer is prachtig. Wij op het zonnige terras, zij aan het rennen. Uitstekende verdeling.

finish

Chaos. Ch√°os. Ruim 40.000 mensen die door elkaar heen krioelen. Je zou van minder xenofobie krijgen.

arjen

En dit trotse koppie zegt natuurlijk genoeg.

There is always Paris

Drie dagen alleen in Parijs. Dat was de uitdaging. Als verkenning voor het echte werk, volgend jaar. Trek ik het om in mijn eentje in die stad te zijn? Het antwoord daarop is ja. Ik ben autistischer dan ik dacht.

Geen enkel probleem om alleen over Pére Lachaise te wandelen. Genietend op een terrasje te zitten in de Marais en naar mensen te kijken. Ronddwalen in Lafayette. Een boottochtje maken over de Seine. Of gewoon in de herfstzon aan het water te zitten, mijmerend over wat ik wil en wat niet, en hoe dan.

En niemand die zegt: ‘Nou, zullen we maar weer?’

In de film In to the Wild schrijft de hoofdrolspeler op een gegeven moment (als hij ergens half doodbevroren in-to-the-wild ligt te wezen): happiness is only real when shared.

Ergens in die paar dagen voelde ik wel even zo’n… steekje. Dat ik dacht: ja, ‘t is allemaal wel leuk en aardig, dat being on my own, maar n√∫ wil ik toch tegen iemand kunnen zeggen: wauw, moet je dat es zien. Of gewoon even iemand kunnen aanstoten en samen grinniken om een oud kibbelend echtpaar. Want dat kunnen die Fransen zo mooi: kibbelen.

Die steekjes jeukten wel een beetje, zoals een muggenbult dat doet. Maar als je er niet aan krabt, gaat ‘t vanzelf over.

Al met al vond ik het een geslaagd experiment. Ik ben nog meer van de Parijs gaan houden dan ik al deed. En ik vind mezelf best wel een stoere chick, zo op pad in mijn eentje. D√°t is voor herhaling vatbaar.

Drie dagen hou ik het best uit met mezelf. Drie maanden? Op die muggenbult ga ik toch nog even krabben.

Ik sliep in Hotel Alhambra (metro: Oberkampf). Prima hotelletje, vooral de ligging is ideaal. En, a room with a view. Nou ja, sort off. Voor de rest is het petit, zoals in elk Parijs hotel. De 2-persoonskamer is een ideale 1-persoonskamer. En het douchegordijn is ronduit opdringerig.

Vrijdagmiddag dook ik meteen de Marais in. Je struikelt over te hippe winkeltjes, voor de lucky girls met maatje 38 een waar shopwalhalla. Voor maatje meer blijft ‘t bij kwijlend met je neus tegen de ramen gedrukt staan.

Wil je √©cht lekkere thee kopen, ga dan naar Palais des Th√©s, aan Rue Vieille du Temple. Ze vragen als je binnenkomt of je een kopje thee wilt, niet of je ze kunnen helpen. Zeg dus ‘oui, merci!’ en niet het ingestudeerde ‘non merci, je regarde ici’, anders kijken ze heel sip.

Muji, de Japanse versie van de Hema in Parijs (Rue des Francs Bourgeois). Simpele spulletjes, maar dan weer zo mooi simpel gemaakt dat je ze simpel allemaal wilt kopen.

Samen schreven en mijmerden wij aan de Seine. Ze had ‘t alleen niet in de gaten.

Pére Lachaise, mysterieus, spannend en indrukwekkend. Oase van rust in de stad. En je gaat er  vanzelf in zwart-wit fotograferen.

Als je midden in Lafayette staat en omhoog kijkt, weet je niet wat je ziet.

Place des Vosges. Het oudste plein van Parijs is een gemoedelijke hangplek voor studenten en toeristes die net doen alsof ze Parissienes zijn. Victor Hugo, je weet wel, de schrijver van Les Misérables, woonde hier.  Aan de andere kant van het plein, vind je allemaal kunstgalerietjes. Met kunstgrietjes erin.

Een pareltje: Museé Carnavalet (Rue de Sévigné). Over de geschiedenis van Parijs en haar inwoners. Ik heb er een paar uur praktisch alleen (!) rondgedwaald door kamers zoals ze waren tijdens de middeleeuwen. Gek genoeg kreeg ik helemaal inspiratie voor mijn eigen huis.

Tijd voor een boottochtje over de Seine. Ik nam de Batobus (hop on, hop off) aan de Quai de Montebello. Voordeel: je hebt niet dat geneuzel in tien talen over aan uw linkerkant dit en aan de rechterkant dat. Nadeel: er is weinig plek buiten. Tip: verover een plekje door gebruik van ellebogen en een onschuldig gezicht. En toen tuften wij onder ‘mijn’ Pont d’Amour door. Ooit… ooit!

Ik ben er nog niet achter of ‘t nou geschilderd is, of dat het foto’s zijn. Maar grote ogen zijn ‘t.

Franse vrouwen kunnen heel goed ruziemaken.

Franse mannen kunnen heel mooi zwijgen.

Op zondag is het druk, h√©√©l druk op de Rue des Rosiers. Maar je kunt er o zo lekker eten. Je moet er alleen wel wat geduld voor hebben…

En gelukkig is het niet altijd druk in Parijs…