Diamonds and pizza

Aangezien een hotelkamer voor ’n paar dagen je huis is, vind ik altijd spannend om voor ’t eerst de deur open te doen. Is de kamer groot, klein, smoezelig of netjes? En wat is het uitzicht? Nu was ik al eerder in hotel Terminus Nord geweest, dus ik had voorkennis. Met dat uitzicht zit ’t wel snor.

Het is alleen wat raar als je een hotelkamer in komt waar het bewijsmateriaal van de vorige bewoner nog ligt. Een onopgemaakt bed, een zakje met opgekloven appels, halve broodjes en overal vieze handdoeken. ‘Hè bah’, verzuchten we.

Gelukkig is de service in het hotel perfect. Er komt direct iemand van ‘housekeeping’ om onze kamer te kuisen. Daarom besluiten we maar op pad te gaan.

De wijk rondom Gare du Nord leek me niet heel spannend. Een typische stationsbuurt, druk en rommelig. Reisgenoot houdt gelukkig ook van wandelen en we zitten al snel op Rue La Fayette, een chique straat met bijpassende winkels en natuurlijk de beroemde Galeries Lafayette.

Die zijn nog open, zodat we ons kunnen vergapen aan de diamanten van De Beers. Kettingen van 10.000 euro, een iPod vol glimmers van 15.000 euro en een oogstrelend collier van maar liefst 115.000 euro… Ik hang als een ekster boven de vitrines en snap ineens waarom Marilyn zong over de beste vriendjes van een meisje.

We eten op een ruim terras, tussen de indrukwekkend geklede Parijse zakenlui, een pizza. Iedereen lijkt hier strak in het pak te zijn. Vooral de slick broeken en zwarte hoornen brillen zijn populair bij de heren. ‘Komt vast door de serie Mad Men’, weet mijn reisgezelschap te vertellen. ‘Speedo’s komen ook weer in.’

Terug wandelend, lopen we door Rue Cadet. Een autovrije straat met knusse terrassen, eetwinkels en fruitstalletjes. Ik noteer de straat in mijn notitieboekje en zet erbij: ‘nog eens bekijken als de winkels open zijn.’

Bijna bij het hotel, zien we een mooie kerk. ‘Dat is volgens mij de oudste kerk van Parijs!’, roep ik wijs. ‘Wel 1000 jaar oud!’ Maar het blijkt de Eglise Saint Vincent de Paul, gebouwd in 1824 op het land van de heilige Lazerus. ‘Ik vond ook dat het er heel oud uitzag’, troost Reisgenoot. ‘En je zit er maar 800 jaar naast, kan iedereen gebeuren.’

Nog maar een paar uur uit de trein en al zoveel gezien. Een vieze hotelkamer heeft zo z’n voordelen. Zeker als we voor het ‘ongemak’ een dag gratis wifi krijgen. Kon ik tenminste op mijn gemak googlen welke kerk dan wel de oudste is: St. Germain des Prés!

Aan de Grande Boulevards, zoals La Fayette, Hausman en Des Italiens vind je prachtige winkels.

De iPhone camera kon het maar nauwelijks aan, al die glimmers…

Rue Cadet is klein en gezellig. We waren wat later, dus helaas waren alle winkels al dicht.

Niet de oudste kerk van Parijs, het is zelfs geen plekje waard in mijn Capitool reisgids, maar toch vond ik ‘m mooi: Eglise Saint Vincent de Paul.

A room with a view

Ik rol met mijn koffertje over de keien en blijf even stil staan. Als een oude vriend omhelst Parijs me. ‘Daar ben je weer.’ Ja, daar ben ik weer.

Dit keer ben ik er niet alleen, maar met een groepje van drie vrienden. De twee sportiefste gaan de marathon van Parijs lopen. En door die kwalificatie kun je mij meteen wegstrepen. Samen met B. ga ik aanmoedigen. Dat kunnen we namelijk heel goed.

We logeren tegenover Gare du Nord. Kan nooit wat zijn, dacht ik. Een hotel vlakbij een station in een grote stad? Ha. Da’s vragen om problemen. Ik zag mezelf alweggestopt in een smoezelig hokje, medelijdend aangestaard door mijn reisgenoten. Maar wat blijkt, het Mercure hotel is bijzonder vriendelijk voor eenlingen. Dat ik de enige ben met een bad op de kamer zorgt zelfs voor jaloerse blikken. En als ik de Sacre Coeur zie terwijl ik de grote ramen open doe, begin ik te spinnen als een tevreden kat. Got me a room with a view.

A room with a view

Want zeg nou eerlijk: als dit je uitzicht is, zónder te zoomen… dan ben je toch een gelukkige hotelbewoner?

SDC10286

Er lag een geheimzinnig envelopje tegen mijn kussen. ‘Message personel’, stond erop. Genoeg om mijn fantasie overuren te laten draaien. Maar ik werd gewoon braaf welkom geheten in het hotel. En als ik wat op te merken had, kon ik het op bijgevoegd formuliertje schrijven. Hmm… Verwachtingsmanagement, mensen.

Parallel Parijs

De zon schijnt uitbundig. Ook in Parijs zit iedereen als ’n zonnebloem met z’n gezicht glimlachend naar de zon gekeerd. Wel met een hippe grote zwarte zonnebril op de bleke neusjes natuurlijk. Ik nestel me op een bankje en geniet van de mensen die voorbij komen.

Toeristen pik je er zo uit. Met bungelende camera’s, plattegrond in de knuisten, lopen ze met onzekere tred door de stad. Parijzenaren dansen er als een schaduw langs, met een minzame blik richting de zoveelste bezoeker die plots stil blijft staan.

Maar als je goed kijkt, zie je een parallel Parijs. Moeilijk vast te leggen voor de camera. Je hebt er geduld voor nodig (plus een veel betere camera dan mijn huidige instant automatisch klikdingetje) en wat mazzel. En dan tilt Parijs soms een tipje van haar sluier op. Oh, wat is ze mooi.

Duifjes, duifjes...

Elke dag loopt ze van St. Gervais naar het grote binnenplein van het Louvre. En alsof de hele wereld alleen bestaat uit haar en de duiven, haalt ze het plastic zakje met broodkruimeltjes uit haar zak. Niemand ziet dat haar wangen rood kleuren van plezier als het kleinste duifje voorzichtig uit haar hand eet.

Groot en klein

‘Ik hou van je’, zegt ze tegen hem. ‘Hoeveel?’, vraagt hij. Ze kijkt even snel om zich heen. ‘Zoveel als het lengteverschil tussen die twee daar’, grinnikt ze.

Jazz in Paris

Over een paar weken speelt hij tijdens het Musiques et Jardines Festival. Hij denkt aan vorig jaar. Toen stond ze nog vooraan. Haar grijze hoofd deinde mee met elke melodie. Hij mist haar.

tourist girls

Ze was me niet eens opgevallen. Totdat ze bij haar vriendinnen ging staan. Toen trokken ze even de aandacht van Parijs.

grijs is wijs

‘Maar Isabelle… waarom vertel je me dit nu pas?’

in de metro

Ze merkt niets van de drukte om haar heen, de warmte, het gelach van de studenten achter haar, de deuren die open dicht sissen. Pas als ze bijna omver wordt geduwd door een man die nog net op tijd naar binnen springt, kijkt ze op. Merde, station gemist.

girls

‘Echt, het is helemaal in.’ ‘Nou, ik vind het geen gezicht, zo’n kort broekje met een panty eronder.’ ‘Hou jij toch lekker je spijkerbroek aan.’

Les Puces de Paris

De Parijse etalage is niet zo maar ’n etalage, het is een stilleven. Als Parijzenaren ergens goed in zijn, behalve het uitspreken van l’amour met ’n diep timbre en één opgetrokken wenkbrauw, dan is het wel etaleren. Of het nou een groentewinkel is of een kledingzaak: ze maken er wat van. Met als gevolg: mijn intens verliefde blik en vervolgens een schreeuwend bankpasje.

Ik besluit dit keer eens wat meer buiten de gebaande paden te gaan en Les Puces de Paris op te zoeken. Deze vermaarde vlooienmarkt ligt in St.Ouen, een ritje dat mij voor ’t eerst buiten het centrum brengt. Aan het eind van de metro Porte de Clignancourt zitten er tot mijn tevredenheid geen toeristen meer in de metro. En eenmaal boven de grond, kijk ik genietend naar een rauwer Parijs. Hier geen historische gebouwen of gezellige crèpesbakkertjes, maar grijze appartementen, smoezelige snackbars en heel veel auto’s die zich allemaal luid toeterend de ring op persen.

Af en toe check ik snel de kaart op mijn iPhone of ik de juiste kant nog op loop. Tjonge, wat is dat ding handig. Niks geen gepruts meer met een verfrommelde kaart waardoor er nog net geen knipperende rode pijl boven je hoofd stuitert met: Touriste ici! erboven.

De ingang van Les Puces is even zoeken, maar eenmaal daar waan ik me een andere wereld. Weg is het verkeer en de groezeligheid. Ik sta middenin een labyrint van winkeltjes. Of liever, uitgebreide etalages – de Big Spender in mij flikflakt er al juichend vandoor waar elke eigenaar z’n waar kunstig en vooral enorm fotogeniek heeft uitgestald. Ik dwaal rond langs prachtige antieke meubeltjes, stoffen, tekeningen, schilderijen, rommeltjes en sieraden.

Ergens in een hoekje vind ik een piepklein restaurantje, blozend opgetuigd als een dame van lichte zeden. Er hangen slingers aan het plafond, de stoelen zijn van rode pluche en er branden ontelbaar gekleurde lichtjes. Ik zit me net te verkneukelen over mijn unieke vondst, als ik een artikel uit de Volkskrant voor het raam zie hangen. Hmpf. Daar gaat mijn Indiana Jones gevoel.

Als ik even later met mijn neus boven een vitrine hang met lieftallige armbandjes, schrik ik op van een stem. ‘Que puis-je faire pour tous?’ De eigenaresse zit diep verscholen tussen haar spulletjes en kijkt me vriendelijk aan. Ik stamel in mijn hulpeloze Frans dat ik graag een armbandje wil passen. Ze komt moeizaam overeind en frommelt met een sleuteltje aan de vitrine.

‘Thies ies a bjoetiful one’, zegt ze, terwijl ze me het sieraad geeft. Ik vraag haar hoelang ze dit winkeltje al heeft. Het blijkt dat veel van de stalletjes familiebezit zijn. Die van haar is door haar vader opgezet, net na de Tweede Wereldoorlog. ‘Thies is ‘iem’, zegt ze trots en wijst naar een foto van een streng kijkende meneer met snor. ‘He looks very ehm… nice’, mompel ik onbeholpen.

Dat ik alleen met een armbandje de markt verlaat, mag gerust een wonder heten. Het is dat ik met de trein terug naar Amsterdam moet, want anders had ik absoluut een kleine camion nodig gehad.

Een vader loopt met zijn studentendochter keurend langs een prachtige lange teakhouten tafel met knoesten en verweerde poten. Ze knikken naar elkaar. Na wat handjeklap met de verkoper zie ik dat vader de man 20 euro geeft. Stikjaloers stap ik weer in de metro. Met een opgelucht bankpasje en een belevenis rijker.

Les Puces kraamRonddwalen, dolen, snuffelen en kijken: alles lijkt de moeite waard te zijn van een blik, aai of klik van de camera.

Les Puces detail kraamIk tuur minutenlang naar de kraampjes. Zo veel details die je nooit kunt vastleggen op een foto. En ik blijf me maar afvragen wat de geschiedenis is van het rode rokje.

Les Puces kleedpop

Ik zie deze kleedpop al helemaal in mijn slaapkamer staan. Dan zie ik mezelf worstelen in de metro met de pop onder mijn arm. ‘Excuses-moi, excuses-moi’. Toink. Beng. Pop tussen de deuren van de metro. Hmm. Niet zo handig. Merde.

Les Puces rode stoelen

De rode stoelen, de groene vazen… het is een praktisch kant en klaar plaatje voor de VT Wonen. Vind ik dan.

Les puces bakjes

Twee muren vol met bakjes waarin van alles te vinden is. Speldjes, broches, poppetjes, kraaltjes, frutsels. De ekster in mij wordt er gans orgastisch van.

Chez Louisiette

Alsof je in een Marokkaanse Souk dwaalt. Rechts achter: Chez Louisiette. Ze heeft de Volkskrant gehaald.

Groentewinkel

En om nog maar even mijn punt te illustreren van de Parijse verheven kunst der etaleren: een simpel groentewinkeltje in een drukke straat.

Run, Forrest… Run!

Waarom zou je in godsnaam 42,5 kilometer rennen zonder dat je achterna gezeten wordt door monsters, criminelen of een belastinginspecteur? Ik snap er niks van. De twee sportievelingen in ons gezelschap geven eerlijk toe dat ze dezelfde gedachten hebben. Ergens tussen de 30 en 40 kilometer.

Wat ik w√©l begrijp is het marathondieet. Pasta, crèpes, ijs, baquettes, chocomelk en dan nog meer pasta. Stapelen noemen ze dat. Oh yeah baby, I get that. Eigenlijk prepareer ik mezelf al zo’n tien jaar voor een marathon. Maar dat terzijde.

Zondag is het zo ver. Ze starten vanaf de Champs-élysées en rennen in een lange sliert een route door de stad. Ik sta samen met B. bij Hotel de Ville. We speuren de deinende massa af voor een donkergroen petje en een rood t-shirt. Naast ons vouwen twee mannen een spandoek open. ‘Rudy, Yes you can!’, staat erop. Als er ’n man met ’n blonde paardenstaart voorbij komt, schreeuwen ze hem op z’n Schwarzeneggers toe: Roedie! Jes joe khan! Rudy steekt zijn vuist in de lucht. Hij kan ‘t.

Dan zien we ineens A. Zijn grijns gaat van oor tot oor als hij ons ziet staan en we hem luid juichend aanmoedigen. Een paar minuten later komt S. voorbij. Trots lacht hij ons toe. ‘Eitje’, zegt hij in het voorbijgaan.

B. en ik maken een dollemansrit door de stad om op verschillende punten de mannen te kunnen toejuichen. We zien Darth Vader voorbij rennen, verschillende clowns (huuuh, eng), een ober – met dienblad, een gorilla en tientallen pruiken, tutu’s en zuurstofmaskers.

De finish is op z’n Frans georganiseerd. Complete chaos. Duizenden lopers en publiek dwarrelen door elkaar heen, naarstig op zoek naar hun geliefden, familie, vrienden of collega’s. Mijn autistische ik wordt er helemaal chagrijnig van en ik besluit op een heuveltje te gaan zitten voordat ik om me heen begin te slaan. B. stort zich dapper in de heksenketel, op zoek naar A. en S.

De twee mannen finishen op ruim tien minuten afstand van elkaar. Ze zijn trots, lachen en slaan elkaar op de schouders. En ze stáán gewoon nog. Ik ben diep onder de indruk. Hoe doe je dat, hoe krijg je je lijf zo ver – of misschien liever je geest -, om zo’n prestatie te leveren? Ze proberen het uit te leggen, maar zien aan mijn verbijsterde gezicht dat ik het niet begrijp.

‘Dit is ook echt de laatste marathon die ik heb gelopen hoor’, zegt A. tegen me. ‘Dat zegt hij elke keer’, lacht B. ‘En vanavond hoeven we gelukkig geen pasta meer te eten’, zegt ze er opgelucht achteraan. Ik pruil. Wat mij betreft had dát aspect van de marathon nog wel even mogen duren.

hotel de ville

Een lange sliert lopers die samen deinen als een geheel. Indrukwekkend.

seine

De route is mooi, het weer is prachtig. Wij op het zonnige terras, zij aan het rennen. Uitstekende verdeling.

finish

Chaos. Cháos. Ruim 40.000 mensen die door elkaar heen krioelen. Je zou van minder xenofobie krijgen.

arjen

En dit trotse koppie zegt natuurlijk genoeg.

There is always Paris

Drie dagen alleen in Parijs. Dat was de uitdaging. Als verkenning voor het echte werk, volgend jaar. Trek ik het om in mijn eentje in die stad te zijn? Het antwoord daarop is ja. Ik ben autistischer dan ik dacht.

Geen enkel probleem om alleen over Père Lachaise te wandelen. Genietend op een terrasje te zitten in de Marais en naar mensen te kijken. Ronddwalen in Lafayette. Een boottochtje maken over de Seine. Of gewoon in de herfstzon aan het water te zitten, mijmerend over wat ik wil en wat niet, en hoe dan.

En niemand die zegt: ‘Nou, zullen we maar weer?’

In de film In to the Wild schrijft de hoofdrolspeler op een gegeven moment (als hij ergens half doodbevroren in-to-the-wild ligt te wezen): happiness is only real when shared.

Ergens in die paar dagen voelde ik wel even zo’n… steekje. Dat ik dacht: ja, ’t is allemaal wel leuk en aardig, dat being on my own, maar nú wil ik toch tegen iemand kunnen zeggen: wauw, moet je dat es zien. Of gewoon even iemand kunnen aanstoten en samen grinniken om een oud kibbelend echtpaar. Want dat kunnen die Fransen zo mooi: kibbelen.

Die steekjes jeukten wel een beetje, zoals een muggenbult dat doet. Maar als je er niet aan krabt, gaat ’t vanzelf over.

Al met al vond ik het een geslaagd experiment. Ik ben nog meer van de Parijs gaan houden dan ik al deed. En ik vind mezelf best wel een stoere chick, zo op pad in mijn eentje. Dát is voor herhaling vatbaar.

Drie dagen hou ik het best uit met mezelf. Drie maanden? Op die muggenbult ga ik toch nog even krabben.

Ik sliep in Hotel Alhambra (metro: Oberkampf). Prima hotelletje, vooral de ligging is ideaal. En, a room with a view. Nou ja, sort off. Voor de rest is het petit, zoals in elk Parijs hotel. De 2-persoonskamer is een ideale 1-persoonskamer. En het douchegordijn is ronduit opdringerig.

Vrijdagmiddag dook ik meteen de Marais in. Je struikelt over te hippe winkeltjes, voor de lucky girls met maatje 38 een waar shopwalhalla. Voor maatje meer blijft ’t bij kwijlend met je neus tegen de ramen gedrukt staan.

Wil je écht lekkere thee kopen, ga dan naar Palais des Thés, aan Rue Vieille du Temple. Ze vragen als je binnenkomt of je een kopje thee wilt, niet of je ze kunnen helpen. Zeg dus ‘oui, merci!’ en niet het ingestudeerde ‘non merci, je regarde ici’, anders kijken ze heel sip.

Muji, de Japanse versie van de Hema in Parijs (Rue des Francs Bourgeois). Simpele spulletjes, maar dan weer zo mooi simpel gemaakt dat je ze simpel allemaal wilt kopen.

Samen schreven en mijmerden wij aan de Seine. Ze had ’t alleen niet in de gaten.

Père Lachaise, mysterieus, spannend en indrukwekkend. Oase van rust in de stad. En je gaat er vanzelf in zwart-wit fotograferen.

Als je midden in Lafayette staat en omhoog kijkt, weet je niet wat je ziet.

Place des Vosges. Het oudste plein van Parijs is een gemoedelijke hangplek voor studenten en toeristes die net doen alsof ze Parissienes zijn. Victor Hugo, je weet wel, de schrijver van Les Misèrables, woonde hier. Aan de andere kant van het plein, vind je allemaal kunstgalerietjes. Met kunstgrietjes erin.

Een pareltje: Museé Carnavalet (Rue de Sévigné). Over de geschiedenis van Parijs en haar inwoners. Ik heb er een paar uur praktisch alleen (!) rondgedwaald door kamers zoals ze waren tijdens de middeleeuwen. Gek genoeg kreeg ik helemaal inspiratie voor mijn eigen huis.

Tijd voor een boottochtje over de Seine. Ik nam de Batobus (hop on, hop off) aan de Quai de Montebello. Voordeel: je hebt niet dat geneuzel in tien talen over aan uw linkerkant dit en aan de rechterkant dat. Nadeel: er is weinig plek buiten. Tip: verover een plekje door gebruik van ellebogen en een onschuldig gezicht. En toen tuften wij onder ‘mijn’ Pont d’Amour door. Ooit… ooit!

Ik ben er nog niet achter of ’t nou geschilderd is, of dat het foto’s zijn. Maar grote ogen zijn ‘t.

Franse vrouwen kunnen heel goed ruziemaken.

Franse mannen kunnen heel mooi zwijgen.

Op zondag is het druk, héél druk op de Rue des Rosiers. Maar je kunt er o zo lekker eten. Je moet er alleen wel wat geduld voor hebben…

En gelukkig is het niet altijd druk in Parijs…