Ik wil een beurt!

roep ik door de telefoon. Ik heb de garage aan de lijn, want er branden ineens twee gele lampjes op mijn dashboard. En ik hou niet van brandende lampjes op mijn dashboard. Want je weet dat het twee dingen kan betekenen: het gaat je geld kosten of tijd.

Ik heb bovendien het vermoeden dat de symbolen op die lampjes zijn bedacht door een sadistische cryptoloog met een drankprobleem die rechtstreeks uit een Marvel comic is gestapt. Je kunt er namelijk als gewone sterveling geen chocola van maken. Voor de lol heeft ‘ie er een paar bijgezet waar je wat mee kunt, zoals een benzinepompje en een genie-in-the-bottle, maar de rest van die symbolen zijn onbegrijpelijk of nog erger: voor meerdere interpretaties vatbaar.

Zo belde ik ooit de ANWB omdat een rood lampje waarop een mysterieus vierkantje met een gevouwen oortje te zien was maar bleef branden tijdens mijn rit. ‘Uw achterklep zit gewoon niet goed dicht, mevrouw’, zei de toegesnelde monteur in kwestie droogjes. Die had weer en mooi verhaal voor in de kantine.

‘Maar hoe moet dat dingetje in godsnaam een achterklep voorstellen?’, vroeg ik nog verbijsterd, waarna hij duivels lachend in zijn gele auto stapte. Echt hoor, Donald Trump zou om minder een paranoïde worden.

Wijs geworden besluit ik daarom eerst in het boekje te kijken dat verstopt zit in het dashboardkastje. Maar daar staat BEDIENUNGSANLEITUNG op en het bevat geen overzicht van wat de lampjes betekenen. Wat logisch is, want natuurlijk is dat boekje geschreven door dezelfde griezel die nu glimlachend een witte kat aait in een donker kasteel.

‘Wat voor lampjes waren het?’

‘Weet ík veel’, zucht ik geïrriteerd. ‘Iets met een uitroepteken. En op die andere stond een dingetje, een rondje? Nee, een halve cirkel of zo met een autootje erin. Kan dat? En toen ik opnieuw startte, waren ze uit.’

Het is even stil aan de andere kant van de lijn.
‘En de lampjes waren geel?’

‘Ja, dus ik wil even langskomen want ik rij heel veel kilometers en mijn auto moet het gewoon doen. Ik kan niet zonder, snap je? En ik heb liever geen brandende lampjes. In welke kleur dan ook.’ Mijn stem klinkt ondertussen vijf octaven hoger.

Hij gaat er nu echt even voor zitten. ‘Een geel lampje is meestal niet alarmerend hoor. Een rood lampje wel, dan moet je meteen stoppen.’

Ik bonk in gedachten met mijn hoofd tegen de muur.
‘Jaaaaha… dat geloof ik best. Maar ik wil tóch heel graag dat jullie er even naar kijken.’

‘En wat wil je dan precies dat we gaan doen?’

Moeder Maria. Heb ik nu werkelijk de enige monteur in de hele wereld aan de telefoon die bij een paniekerige vrouw niet denkt: hééj, kassa!?

‘Nou gewoon. Olie checken, remvloeistof, bandenspanning, even onder die kap kijken of alles wel in orde is. Zodat er geen lampjes meer gaan branden.’

‘Dus je wilt een kleine beurt?’
‘Ja, ik wil een kleine beurt’, verzucht ik opgelucht. ‘Zo snel mogelijk.’
‘Kom maandag maar even langs dan.’

Nu maar hopen dat er tot die tijd geen lampjes meer gaan branden.

via GIPHY

Hij gaat lekker,

Kom op! Nog even volhouden! Ik voel zo’n beetje elk spiertje in mijn lijf de Macarena dansen, maar ik ben een sucker voor publiek: Dus. Ik. Hou… Vol.

‘Ennnn 3, 2, 1, rust.’
Ik plof iets te dankbaar op de grond.

Zo’n personal trainer is een enorme luxe, maar het creëert ook een waar-is-hier-de-nooduitgang-gevoel. Ik kan geen kant op. Bij een groepsles kun je altijd nog een beetje smokkelen. Ik was er zo een die altijd achteraan ging staan en bij de buikspieroefeningen vooral mijn hoofd bewoog. Maar E. ziet het direct als ik billen, buik of benen niet goed aanspan.

Hij corrigeert mijn houding, duwt tegen mijn rug, zegt dat ik mijn navel moet intrekken (moet dat nou?), trekt aan mijn armen en pakt mijn heupen beet (maar trainer, wat doet u nu?, is géén grapje dat besteed is aan iemand die nog niet was geboren ten tijde van Flodder, geloof me).

Mijn huiskamer metamorfoost in een ‘mini-cross’, waarbij ik van de roeimachine naar de mat ga om een kettle bell op te tillen, vanaf de stoel sit-ups doe en vervolgens aan een elastiek trek die om de deurklink zit. Mijn gehijg en geploeter wordt luid toegejuicht door E., die gelukkig bijzonder gul is met complimentjes. ‘Jaahaaaa…. Dat gaat super zo! Je kunt het! Een topper ben je!’

U begrijpt: ik crunge en lunge dat het een lieve lust is.

Het uur vliegt voorbij. Als ik de deur open hou en E. met zijn zware sporttas de trap wil aflopen, komt net mijn bovenbuurman naar beneden. Hij kijkt van mijn bezwete rode hoofd naar het gespierde lijf van E. en trekt geamuseerd een wenkbrauw op.

Oh.
Ah.
Die heeft natuurlijk vooral veel gebonk, gehijg en blij geroep gehoord.

E. rent met de souplesse van een hinde de trap alweer af. ‘Tot maandag Maris, hij ging weer lekker!’ Mijn buurman, tevens Fransman, is nu echt onder de indruk en knikt goedkeurend. ‘You are ‘aving a good time, non?’

Ik grijns.
‘If only you knew. If only you knew…’, zeg ik cryptisch voordat ik met een gezicht als een sfinx de deur sluit.

De komende maanden mag E. van mij heel hard juichen. Dan trek ik mijn navel wel in.

Het is wel heel gezond,

zegt ze. Ik kijk naar het wat verdrietige gebeuren op mijn bord en vrees het ergste. Mijn moeder heeft soms de neiging om nieuwe recepten uit te willen proberen. Dat klinkt relatief onschuldig, maar de ervaring leert dat ze zich het beste bij haar oude repertoire kan houden.

Het begint er meestal mee dat ze een gerecht uitkiest met ingrediënten die ze niet in huis heeft. Die schaft ze allemaal aan, waarbij ik deelgenoot word gemaakt van een reis waarbij Frodo en kornuiten verbleken. Op dat punt is het niet meer mogelijk om onder het experiment uit te komen.

– ‘Maar zijn zelfgemaakte wraps van kikkererwtenmeel en doperwten-avocadospread wel… eh, voldoende als avondmaaltijd?’, probeer ik nog halfslachtig.
– ‘Ja zeg, ik heb alles al in huis gehaald! Weet je wel hoe duur kikkererwtenmeel is?’
Einde discussie.

Vervolgens mag ik al het werk doen en drentelt mijn moeder om me heen met onnodig keukengerei. ‘Zeef het kikkererwtenmeel in een kom… Mam, heb je een zeef? Nee, een zeef. Je weet wel, zo’n ding met gaatjes.’ Er komt een hoop herrie vanuit de keukenkast.

Het recept klopt niet. ‘Ik weet niet hoor, maar moet die avocado echt ín het beslag?’, zeg ik aarzelend. Mijn moeder, ondertussen vastberaden om de exercitie tot een succesvol einde te brengen, kijkt me vinnig aan en tikt met haar nagel op het blaadje. ‘Het staat er toch?’

Het beslag plakt aan de pan en slaat grijsgroen uit. Ik toon haar wanhopig het resultaat. ‘Hm. Ja. Nee, dat ziet er inderdaad niet echt goed uit.’, zegt ze beteuterd. ‘Zal ik het nog eens opnieuw proberen, maar nu zonder de avocado?’, sus ik. Als ze niet kijkt, open ik op mijn telefoon de thuisbezorgd-app.

Dit keer lukt het beslag wel, maar ziet de doperwtenspread eruit als iets wat de hond net heeft uitgebraakt. Nu begint ook mijn moeder te twijfelen, maar vind ik het slagveld in de keuken reden genoeg om het nu verdorie af te maken ook. Bovendien voorzie ik een onweerstaanbaar koekje van eigen deeg.

We zitten tegenover elkaar en kijken naar de verlepte gele pannenkoek met daarin groenige drab waaruit een zielig stukje paprika steekt. Het smaakt naar oud karton met zurige melk.

‘Dit. Is. Ontzetttend…. Smerig’, capituleert mijn moeder eindelijk. Ik leg mijn bestek triomfantelijk neer. Haar gezicht als na vijf minuten de deurbel gaat en de bezorger met sushi voor de deur staat, is onbetaalbaar.

‘Ik denk dat ik de volgende keer maar weer eens draadjesvlees maak’, zegt ze smakkend. In het geval van koken is de comfortzone zo’n slecht idee nog niet.

gezond

Beste plant,

Ik heb je vol verwachting in huis gehaald, ondanks mijn twijfels. Ik ben niet echt van de verzorging en ook al drukte het kaartje in de pot mij op het hart dat je weinig onderhoud nodig had, toch ging er ergens een alarmbelletje af.

Dat belletje negeerde ik.

Want ik wilde jou. Ik wilde jou in mijn huis, in mijn leven en ik zou goed voor je zorgen. Ja, ik had het al eens eerder geprobeerd met een plant, en dat liep niet goed af. Maar dit keer zou alles anders gaan. Hoe moeilijk kon het zijn. Je zag er sterk uit, met glanzende groene bladeren die vol van belofte waren.

In het begin hadden we het goed samen. Je was er als ik thuis kwam, je was er als ik wegging. En op de een of andere manier was dat geruststellend. Ik gaf je water als je daarom vroeg en haalde je bruine blaadjes weg. Jij deed wat je het beste deed: er zijn.

Je vroeg om een ander plekje in de kamer, dus verzette ik de tafel, de kast, de bank, net zolang totdat jij tevreden was. Of je misschien wat Pokon kon krijgen. Natuurlijk, geen probleem. En een grotere pot? Met verse aarde, wellicht? Ik was al op weg naar de winkel.

Voor iemand die niet zo van de verzorging was, rende ik de benen uit mijn lijf. Want aan mij zou het niet liggen. Dus checkte ik regelmatig je aarde, gaf ik je extra voeding en liet ik zachtjes de muziek aan, zodat je je niet alleen zou voelen als ik er niet was. Ik werkte harder, zodat ik jou meer kon geven.

Het is niet dat je niks teruggaf. Ik genoot van je sterke bast, je grote bladeren die mij tegen alle onheil zouden beschermen en ik vond het leuk om je te helpen als je weer eens een nieuw stekkie wilde laten groeien. Dat het altijd bij proberen bleef, vond ik niet erg. Ik groeide met liefde verder voor ons tweeën.

Je was een beetje een vreemde plant. Maar je was mijn plant en we deden het best aardig zo, samen.

Na verloop van tijd werd je wat veeleisend. Ik kreeg eigenlijk nauwelijks de tijd om van je te genieten, omdat ik alleen maar bezig was met je verzorging. Je liet je takken steeds meer hangen, om me heen, om mijn nek. Ik schoof je van de ene kant in de kamer naar de andere kant. Ik nam je mee naar een plantendokter, een groene vinger specialist, een fotosynthese goeroe. Je begon me ondertussen behoorlijk wat geld te kosten.

Je bladeren werden steeds sneller bruin. Lag het aan mij? Was ik misschien toch niet lief genoeg? Gaf ik je niet genoeg aandacht? Jij vond dat ik nu een morele verplichting had. Ik had je immers in huis gehaald, dus moest ik ook zorgen voor voeding en onderdak.

Ineens zag ik dat je uit je pot was gegroeid, dat je groene tentakels overal zaten. In elk stukje van mijn leven had je wortel geschoten. Ik verdween steeds verder naar de achtergrond. Want je kon alleen maar groeien via mij. Ik was jouw voeding.

Maar ik was op.

Ik zette je op straat en draaide me om. Jouw wortels zaten nog om mijn voeten. Je trok me zachtjes weer terug. Je beloofde dat je vanaf nu tevreden zou zijn met een beetje water en wat zonlicht.

Even kreeg ik hoop. Misschien konden we toch samen oud worden, zoals ik dat voor me had gezien toen ik je voor het eerst zag. Of misschien verwachtte ik teveel. Misschien was ik gewoon niet in staat om een plant levend te houden.

Ik wist niet dat je doorns had.

Nu moest ik je wel laten gaan. Ik sneed je wortels door. Ik trok je bladeren weg. Ik veegde de aarde uit mijn huis. Nog steeds vind ik af en toe een takje van je. En de littekens zullen wel nooit helemaal weggaan.

Af en toe keek ik naar je, terwijl je daar nog stond op straat. Stil, wachtend, berustend. Loop voorbij, dacht ik, als iemand even bleef staan. Loop alsjeblieft door. Maar het gebeurde natuurlijk toch.

Ze zag je groene bladeren en je sterke bast. Ze had net een plant verloren. Maar jij deed wat je het beste deed. Er zijn.

Onbetaalbaar

‘Uiteindelijk is niemand verantwoordelijk voor jouw geluk, kind. Dat is je eigen pakkie an.’ Ik hoor het mijn oma nog zeggen. Dan knikte ik braaf. Ja, natuurlijk. Klopt. Helemaal gelijk. We zaten bij haar aan de keukentafel. En ook al keek ze me vorsend aan, haar woorden gingen het ene oor in en het andere oor weer uit.

Mijn eigen geluk heb ik lang uitbesteed. Eigenlijk leurde ik een beetje met mijn hart rond, zoals een slechte verkoper dat doet. Joehoe, iemand interesse? Ik gaf het simpelweg uit handen, zonder er wat voor terug te verwachten.

Waarom deed ik dat? Misschien omdat alles van waarde weerloos is. En ik wilde niet weerloos zijn. Dus was ik het ook niet waard.

Totdat mijn hart ineens haar stem vond en ik mezelf hoorde zeggen: ik verdien beter dan dit. Ik verdien meer. En nóg gaf ik er geen gehoor aan. Nóg modderde ik door. Alleen, ondertussen tegen beter weten in.

Dat was verwarrend. Want het is makkelijker om niet te weten dat je stom bezig bent. Het is pijnlijk als het heldere licht ineens schijnt op zaken die je ook voor jezelf verborgen hield. Ignorance is bliss.

Ik moest ervoor op mijn persoonlijke Marianentrog stuiteren. Daar durfde ik pas echt naar mezelf te kijken. Het was daar dat ik mijn eigen geluk eindelijk op waarde wist te schatten.

‘Laat me je alsjeblieft helpen’, fluisterde ik zachtjes in de spiegel, terwijl ik mezelf voor gek verklaarde. ‘Je bent geweldig’, zei ik al iets harder. ‘Je verdient het om geliefd te zijn.’ Ik moest keihard lachen om mezelf. Kijk mij nou. Ja, kijk nou.

Mijn gekwetste hart leefde langzaam weer op. En daar had ik niemand anders voor nodig, behalve mijzelf.

Oma had gelijk. Natuurlijk.
Had ik kunnen weten.


Sing it, George.

Gelukwaardig

We lopen over het strand en zeggen niks. Als je met iemand over het strand kunt lopen zonder iets te zeggen en je hoeft niet paniekerig ‘gespreksonderwepen-in-het-geval-van-ongemakkelijke-stiltes’ op te diepen, dan is dat een goed teken. Ik laat de zeewind door mijn haar waaien en adem in. ‘Je moet je geluk waardig zijn, denk ik’, hoor ik ineens naast me.

In de auto, een half uur eerder, hadden we het over geluk en wat dat dan precies is. We waren het eens over chocola, de perfecte zonsondergang, gevonden geld, schoon beddengoed, een mooi boek, koffie (natuurlijk), een goed gesprek, fietsen over de Amsterdamse grachten, een weekend zonder afspraken, iets nieuws leren en sushi. Genot zit vooral in de kleinste verlangens.

Gelukwaardig.
Ik vind het een mooi woord.

Het past bij deze eerste zondagmiddag van het jaar. Het past bij het geruis van de golven, het lege strand, de meeuwen die kirrend over ons hoofd vliegen en de warme chocolademelk met slagroom die we even later langzaam opdrinken. En het past bij iemand die graag nadenkt over de dingen voordat ze worden gezegd.