The book of No

‘Buurvrouw, mag ik je iets vragen?’ Bovenbuurman zet z’n fiets naast die van mij. ‘Natuurlijk’, zeg ik. ‘Nou, soms willen wij wel eens even weg, een hapje eten buiten de deur. Maar een oppas is zo lastig te vinden en…’ Er zwelt een snerpend geluid aan in mijn hoofd.

‘Zouden wij misschien af en toe de babyfoon bij jou neer mogen zetten?’ Ik zet mijn glimlach op. ‘Natúúrlijk!’, zeg ik. ‘We kunnen wel een vast uurtarief afspreken hoor’, haast hij zich te zeggen. ‘Welnéé joh!’, zeg ik.

Ik zie een krijsende baby voor me die ingespannen de longen uit zijn lijf brult. ‘Als je het niet wilt, moet je het zeggen hoor’, hoor ik achter me terwijl we de trap op lopen. ‘Ben je mal, echt géén enkel probleem!’, roep ik tien octaven te hoog.

Eenmaal binnen bonk ik met mijn hoofd op de deur.
Waarom. Kan. Ik. Geen. Nee. Zeggen?

Ik wil helemaal geen babyfoon in mijn huis. Zo’n gezellig vormgegeven, pastelkleurig kastje vol dreiging, waaruit elk moment Het Gebrul kan losbarsten. Ik ken mezelf, het enige wat ik op zo’n avond nog doe is naar dat ding staren. Prevelend. In de hoop dat die baby zich koest houdt.

Waarom ging het gesprek niet zo:

‘Buurvrouw, mag ik je iets vragen?’
‘Natuurlijk.’
‘Nou, soms dan willen wij wel eens even weg, een hapje eten buiten de deur. Maar een oppas is zo lastig te vinden en…’
‘Ho. Ik weet wat je nu gaat vragen en het antwoord is nee. Ik ben géén geschikte oppas.’
‘Oké, geen probleem.’

Mijn angst zit ‘m in dat laatste zinnetje. Want stel je voor dat hij zegt: ‘Wat ben jij nou voor ‘n rottige buurvrouw?’ Of nog erger. Dat hij zègt dat het geen probleem is, maar me in gedachten de huid volscheldt.

Juist.

Ik heb dit boek nodig.