Ruimte

‘Volgend jaar start ik met een koksopleiding’. Mijn mededeling zorgt voor een glazige blik. ‘Een koksopleiding?’ Ik knik, misschien vooral om mezelf te overtuigen. ‘Ja joh, hartstikke leuk. Beetje snijtechnieken leren en met eten bezig zijn.’ Om mijn woorden kracht bij te zetten had ik al even rondgekeken bij het ROC, want daar kun je als volwassene in een half jaar een basisopleiding tot kok doen. 

Achter al dat enthousiasme zat een hoop onrust. Ik ben nu tien jaar freelancer en dat gaat me goed af. Ik heb een fijne klantenkring, leuk werk en er komt genoeg brood op de plank. Met bijna dertig vliegjaren maak ik me niet meer zo snel druk: been there, done that, bought the t-shirt. Komt u maar door met al uw communicatievraagstukken, ik los het op. 

Maar ergens begon het te kriebelen. Moet ik niet wat anders doen? Ik begon op mijn veertigste voor mezelf, dus is het na tien jaar niet weer eens tijd voor een nieuw avontuur? In mijn hoofd klonk woest gejuich. Dit varkentje gaan wij wassen.

Na een korte zoektocht (en het herzien van de film Julia & Julia) besloot ik bondig dat het tijd was om mijn bourgondische zelf te ontwikkelen. Ik hou van eten, ik hou van koken: voilà, alle ingrediënten om binnen een paar jaar een bistro te openen, een succesvol kookboek te schrijven of met een hippe foodtruck van festival naar festival te trekken, zijn aanwezig. 

Laat het Grote en Meeslepende Avontuur maar beginnen!

Voor de kuikens onder ons: je bent nooit te oud om geen idee te hebben wat je in godsnaam aan het doen bent. Hoe vaker ik vertelde dat ik die koksopleiding ging doen, hoe rotter ik me ging voelen. Want ik hou van eten, ik hou van koken, maar… ik hou nog veel meer van uit eten gáán. 

Het duurde even voordat ik doorhad dat mijn onrust niet zo zeer kwam door de behoefte om iets compleet nieuws te doen, maar dat de onderliggende wens veel simpeler is. Ik wil gewoon niet meer elke dag achter de computer zitten en woorden schrijven om te werken. Ik wil meer ruimte om ongebreideld nieuwsgierig te kunnen zijn. 

Gisteren vroeg iemand: ‘Schrijf eens op wat je zou doen als je niet hoefde na te denken over het bereiken van een doel, het hebben van impact of geld verdienen. Wat zou je dan doen?’ Vandaag keek ik nog eens naar wat ik opschreef. En weet je wat? Dat gaat zorgen voor die ruimte.

‘Give myself a break.’

Mazzelmomenten

Ik word altijd een beetje melancholisch van oudejaarsdag. Als iemand die het liefst vooruitkijkt, duurt de overgang naar het nieuwe jaar wat mij betreft precies 23 uur en 57 minuten te lang. Prima om een paar minuten te mijmeren over ‘ghosts of the past’, maar dan pakt een van mijn meer ongedurige persoonlijkheden een verrekijker en kijven in we in mijn hoofd al snel verder over wat we allemaal willen gaan doen komende tijd.

Maar ja. De kans is groot dat die laatste dag zich stiekem toch vult met herinneringen over wat niet is gelukt, faliekant is mislukt, het tabee van vrienden, geploeter met dingen, werk of geld, talloze zorgen, pijntje hier, pijntje daar, en natuurlijk zij die voor altijd in 2022 achterblijven. De afgelopen paar jaar kwamen er ook nog genoeg wereldproblemen voorbij die alleszins te groot zijn om er iets zinnigs van te maken. Met als gevolg dat ik de laatste seconden van het jaar wat gelaten zie wegtikken, omdat je er verdorie niks meer mee kan, dat verleden. En aan vooruitkijken heb je ook niks, want je wil het nieuwe jaar niet jinxen. 

Pff. Sta je daar met je glaasje champagne zogenaamd vrolijk te wezen.

In plaats van een gelukkig nieuwjaar wens ik mezelf én jou daarom 365 piepkleine momenten van geluk. Gewone-niks-bijzonders-momenten, die niet in de herinneringen op Facebook voorbijkomen, niet in de jaaroverzichten en niet in je best nine Instafoto’s. Ogenblikken die het gesprek aan de eettafel niet eens halen omdat ze te klein, snel, vanzelfsprekend of alledaags zijn.

Laat het de schaterlach zijn van je geliefde, de eerste lentezon op je snuit, verse koffie, nieuw behang, 5 euro vinden op de grond, schoon beddengoed, wijze woorden van iemand van wie je het niet verwacht, groen licht als je haast hebt, een warme scone, praten met vrienden tot diep in de nacht, de geur van een nieuw boek, lekker eten, een onverwacht compliment, de aansluitende trein halen, knalrode ondergaande zon vanaf de snelweg of je favoriete liedje op de radio. 

Ik wens je er 365 of meer.

En pas volgend jaar, op oudejaarsavond, terwijl de laatste seconden wegtikken, denken we terug aan al die momenten. Dat is iets om naar uit te kijken.

Geef me het paradijs

‘Hoi’
Zijn ogen gaan loom open.
‘Heb je ook iets dansbaars?’

Hij moet even uit zijn eigen wereld kruipen.
‘Iets dansbaars?’
‘Ja, je weet wel: iets ritmisch waardoor je wil bewegen.’
Ik wiebel met mijn heupen en glimlach.
Hij fronst.

De dansvloer is nog steeds leeg op één vrouw na, type oud meisje, die met gesloten ogen vooral bezig is de lenigheid van haar ledematen te testen.

Ik had me erop verheugd. Het eerste feestje sinds tijden mét een dansvloer. Het deed een diep verlangen voelen. Dansen totdat het zweet over je rug gutst, je haar nat is, meebrullen met liedjes die op verhalen lijken, met je armen omhoog naar de hemel om het leven weer eens met een gierende ademteug te omarmen.

Vanachter de draaitafel is er weinig begrip voor mijn wanhoop.

‘Heb je iets van Prince?’
‘Nee.’
‘Madonna, vroege jaren?’
‘Nee.’
‘Michael Jackson?’
‘Nee’
‘Bruno Mars dan?’
‘Nee.’

Mijn interne jukebox loopt vast.
‘Okaaaay dan.’ De koptelefoon gaat terug, de ogen dicht.
Ik loop met mijn handen opgeheven naar de bar. Het is ondenkbaar, maar we gaan ongedanst naar huis.

Tududutuu tuuutuududududu.

Was dit…? Ik kijk om. Glazen worden neergezet, gesprekken stokken, mensen komen van buiten snel naar binnen. En we dansen tot ons haar kletsnat is en onze stemmen schor van het paradijs bij het dashboardlight, terwijl de dj buiten verveeld een sigaretje rookt.

Tip voor draaitafelhobbyisten. Een jong-in-de-jaren-’80-hand is snel gevuld.

Bep

Het interieur is een tijdscapsule. Na de jaren ’80 is er niks meer veranderd, dat zie je zo. Voor de enorme schouw met gaskachel, omringd door bruine bakstenen, staan twee skai lederen zwarte stoelen. Een ronde glazen tafel met een buisframe staat tussen twee corduroy banken. Er hangt doorrookte vitrage voor de ramen en in de hoek van de kamer staat een eikenhouten staande klok die elk half uur een plechtige bimbam laat horen.

Nadat de man van buurvrouw Bep is overleden, ruim dertig jaar geleden, lijkt verandering voorr haar een teken van verdriet veronachtzamen. Ze verft haar piekerige haar nog steeds roodbruin, heeft streepjes als wenkbrauwen en draagt een zwartleren jack met indrukwekkende studs: uit alles blijkt dat Bep het leven ooit rockte maar dat ze het leven nooit vergeven heeft.

‘Willen jullie een cola?’, vraagt ze. We knikken en krijgen ook nog een chocolaatje met een hart erop. Samen met mijn andere buurvrouw ben ik bij Bep om te polsen wat zij vindt van de uitbreidingsplannen van het Italiaanse restaurant aan de overkant. Het terras dreigt ook pal voor haar deur en voorraam te komen.

Bep vindt het vooral heel gezellig dat we er zijn en wil liever weten of we ook wel eens haarmousse gebruiken. ‘Daar wordt je haar een stuk donkerder van. Kijk maar naar mij, je ziet geen grijs, niks. Zou ook wat voor jou zijn’, zegt ze tegen mijn donkerharige buurvrouw. Die strijkt wat verbouwereerd door haar lokken. ‘Ik heb het van de week nog geverfd’, mompelt ze.

Bep babbelt ondertussen alweer verder over de te luide kroeg in de straat. ‘Heb ik jullie al verteld over die keer dat ze containers met etenswaren voor mijn deur hadden gezet?’ Dat heeft ze, meerdere keren. We proberen het gesprek zachtmoedig naar het terras van het restaurant te leiden, maar ineens priemt haar vinger omhoog. ‘Luister, horen jullie dat?’

Behalve de radio hoor ik niks. ‘Je hoort de bas van de kroeg, ze hebben de muziek weer harder gezet’, zegt Bep met een frons. We schuiven met geknerp over de nepleren stoelen wat verder naar voren en spitsen onze oren.

‘Google, radio uitschakelen!’
Die valt stil.

Het chocolaatje blijft halverwege mijn mond hangen. ‘Je hebt een Google… ding?’ Het lijkt haast buitenaards dat zich in deze ruimte iets digitaals bevindt. Bep kijkt triomfantelijk. We horen inderdaad een bas dreunen uit de kroeg. ‘Horen jullie het nu ook? Google, radio 10!’

Bep rockt nog steeds.

Is het heus?

Schat, kom ‘es hier, roept de eigenaresse van de kroeg op de hoek die net een peuk staat te roken. Ik wil het liefst snel zwaaiend voorbij lopen. Het regent, ik heb rondjes moeten rijden voordat ik drie straten verderop een parkeerplek kon vinden dus ik ben niet in de stemming voor bijdehante Amsterdamse grapjes. Te laat.

Moederlijk legt ze een hand op mijn schouder.
‘Schat, luister. Ik moét het je vragen. Je loopt in je eentje.’
Ze laat een stilte vallen waarin ze me vorsend aankijkt.
‘Is het uit?’
‘Euh… ja. Al een tijdje hoor’, zeg ik, hupsend van het ene been op de andere want ik heb een zware tas over mijn schouder hangen en ik moet ook nog naar de wc.

Ze inhaleert een vinnige teug rook.

‘Is het heus?’
‘Ja. Het is heus.’
‘Welke pummel laat jou nou gaan?’
‘Nou ja, jee…’ stamel ik schaapachtig.
‘Is ‘ie niet goed wijs of zo?’
‘Rob! Roooohóób!’, schreeuwt ze de kroeg in.

Haar man komt naar buiten gesloft. ‘Dag buuf’, zegt hij gemoedelijk.

‘Het is uit’, zegt zijn vrouw, met een bezorgde blik mijn kant op.
‘Is het heus?’

Ik knik en realiseer me ineens dat ik blijkbaar onderwerp van gesprek ben geweest aan de plakkerige toog. Had ik dat geweten toen ik vol zelfmedelijden maar met terecht verdriet alleen tweehoog achter zat. Stamgasten zijn vast goed in troost.

‘Ach meid, geen hand vol maar een land vol’, bromt de cafébaas.
Zijn vrouw geeft hem een harde por. ‘Rob, alsof dat kind nu op een vent zit te wachten. Die moet effe niks hebben van kerels, toch schat? Rotzakken zijn het.’

Rob begint wijselijk met een tafeltje te schuiven.

Ze kijkt me aan. ‘Schat, luister. Je bent mooi. Je bent prachtig. Meer hoef je niet te weten. Rób, wat doe je? Nee, man: die horen daar, dat weet je toch. Jezus, moet ik hier dan alles in mijn eentje doen?’

Ik hou van mijn buurtje.
Nu nog meer parkeerplekken.

 

(Ik schreef dit al jaren geleden, maar heb de column herschreven na een workshop van de weergaloze Eva Hoeke. Schrijven is schaven!)

Genieten op een piek

Luister, even over het leven. Je zal het met me eens zijn dat het uit pieken en dalen bestaat. Een vlakke lijn is nooit een goed teken, elke dag Groots en Meeslepend lopen te wezen is enorm vermoeiend en een voortkabbelend bestaan heeft bijna niemand.

Punt is dat je tijdens een piek vaak vergeet te genieten en tijdens een dal loop je met je neus op je knieën en denk je dat de zon nooit meer zal schijnen.

Nu hoorde ik ooit een wijsheid waarvan ik even rechtop ging zitten. Het was een natuurkundige die zei: ‘Vergeet de regressie naar het gemiddelde niet en de raming bij ongewijzigd beleid’.

Okay.
Ehm.
Wut?

Gelukkig had hij plaatjes bij zijn verhaal. Stel je een achtbaan voor en trek dan een streep door het midden. Regressie naar het gemiddelde betekent dat als je op een piek zit (of in een dal) de kans groot is dat je uiteindelijk weer op die streep, het gemiddelde, uitkomt.

Dus na elke Yay! kom je weer terug op het gemiddelde en na elk tranendal uiteindelijk ook. Dat relativeert misschien een beetje als je in een dal zit, maar veel leuker nog: het is een uitstekende reminder om flink te genieten als je op zo’n fijne piek surft.

Dan zijn volgende wijsheid: ‘hou rekening met de raming bij ongewijzigd beleid’. Nu met ondertiteling: als je helemaal niks verandert aan een situatie, wat is dan de voorspelling van die situatie over een bepaalde tijd?

Bedrijven doen zo’n voorspelling meestal over een heel jaar. Q1 was kut, maar in Q3 hebben we dat helemaal rechtgetrokken. Wij hebben één rotdag en denken meteen dat het hele leven klote is.

En dat is niet logisch, volgens onze nuchtere natuurkundige, wiens naam ik helaas vergeten ben. Je kunt je ‘levensbeleid’ beter bekijken over een langere periode, of je nu terugblikt of vooruitkijkt. Dan valt het met de rottigheid meestal (of hopelijk) wel mee en is het geluk tóch meer aanwezig dan je dacht. Zijn devies was dan ook om je brein hier af en toe op te laten kauwen.

Zit wat in.
De regressie naar het gemiddelde en de raming bij ongewijzigd beleid.

Het is sowieso een prachtige zin om wijsneuzerig uit te spreken tijdens een feestje.